van Overal en Over Poëzie van Overal
- de Contrabas: Nieuw gedicht Gerard Scharn 6 Feb 2012
- de Contrabas: Koud hè? Zo koud als een kikker? 6 Feb 2012
"'Het is winter en dus koud als een kikker.' Wie zoiets zegt, kent de conventies van het Nederlands niet. Koud als een kikker betekent weliswaar 'heel erg koud', maar is geen courante vergelijking om het weer te typeren. Koud als een kikker zeg je van mensen die totaal gevoelloos zijn." Welke vergelijking Ton den Boon van Taalbank wel op het oog heeft, leest u hier.
bron
- de Contrabas: Wislawa Szymborska vertaald 6 Feb 2012
In mijn bezit is de bloemlezing Een gevecht om lucht, een keuze uit de naoorlogse Poolse poëzie, samengesteld door Jan-Willem Overeem en Ewa Dijk-Borkowska. Het boek is (waarschijnlijk) in 1978 verschenen bij Uitgeverij Corrie Zelen in Maasbree. Voor zover mij bekend duikt de naam van Wislawa Szymborka hier voor het eerst in een boekpublicatie op. Het zou vervolgens tot 1983 duren, voordat De Lantaarn met een solo-bundel kwam.
De verschillen tussen de vertalingen van Overeem en Dijk-Borkowska (GOL) en de "standaardeditie" van Gerard Rasch (ik citeer hier uit Einde en begin. Gedichten 1957 - 1997, te noemen EEB) zijn opmerkelijk, om niet te zeggen dat het soms om heel andere gedichten lijkt te gaan. Ik haal bijvoorbeeld de eerste strofe van een gedicht dat ze beiden vertaalden naar voren:
GOL p. 87: 'Vrouwen van Rubens', Reuzinnen, vrouwelijke fauna, / naakt als gebulder van vaten. / Nestelen zich in vertrapte ledikanten, / slapen de monden geopend om het uit te kraaien. / Hun pupillen gevlucht in de diepte / doordringen hun binnenste klieren, / waaruit gist sijpelt in hun bloed.
EEB p. 61: 'Rubens' vrouwen', Rotsentorsers van reuzinnen, / een fauna naakt als rommelende tonnen. / Ze nestelen in platgelegen legers, / slapend gapend met hun kraaimond open. / De pupillen die naar binnen vluchten, / dringen in het binnenste der klieren, / waaruit het gist hun bloed in sijpelt.
Zelf heb ik de neiging om EEB in poëtische zin het voordeel van de twijfel te gunnen, zeker omdat er in deze strofe al zo véél verschillen zitten: "gebulder" en "rommelende", "ledikanten" en "legers", "slapen de monden geopend om het uit te kraaien" (auw, CB) en "slapend gapend met hun kraaimond open" en voor de laatste drie regels lijken ook afkomstig uit zeer verschillende ontwikkellaboratoria.
[wordt vervolgd]
Het in 1996 verschenen Verrukking & wanhoop (V&W), een keuze uit het tot dan toe verschenen werk van Jeannine Vereecken bevat hetzelfde gedicht, nu weer onder de titel 'Vrouwen van Rubens'. De eerste strofe: Bergreuzinnen, vrouwenfauna, / blote, donderende tonnen. / Nestelen zich in vertrappelde bedden, / slapen met de lokroep van de haan op de lippen. / Hun pupillen verliezen zich in de diepte / en dringen door tot binnenin de klieren, / waarvan het sap gaat gisten in het bloed.
De eerste regels zijn mooi, gecomprimeerd (zoals het origineel er uitziet, maar ik beheers het Pools natuurlijk niet), - zinnen met de laconieke toon die je van de Nobelprijswinnares verwacht. Vereecken kiest weer voor bedden - wat me de vraag ingeeft waar die "legers" bij Rasch vandaan komen. De associatie met een slaap- en verblijfplek van dieren (maar niet van een kraai...) is niet ver weg, en ik weet niet of die hier iets te zoeken heeft.
De laatste drie regels (GOL: Hun pupillen gevlucht in de diepte / doordringen hun binnenste klieren, / waaruit gist sijpelt in hun bloed. EEB: De pupillen die naar binnen vluchten, / dringen in het binnenste der klieren, / waaruit het gist hun bloed in sijpelt.) komt hier het mooist uit de verf, lijkt me: Hun pupillen verliezen zich in de diepte / en dringen door tot binnenin de klieren, / waarvan het sap gaat gisten in het bloed.
De eerste strofe is het mooist vertaald door Vereecken, lijkt me. Maar ik kan, nogmaals, niet vergelijken met het origineel.
bron
- de Contrabas: Van Kooten en De Bie sloegen weer toe 6 Feb 2012
De documentaire over Koot en Bie had iets droevigs: dat was het dus, onze jeugd... in die goede smaak zijn wij opgevoed - en het is weg, allemaal. Definitiever dan Atlantis verzonken, uitgewist, zo onvindbaar geworden als een rookworst in vegetarische erwtensoep... Ze hebben erbij gehoord en zijn nu alleen nog via het glibberige pad van de weemoed en de sentimentaliteit bereikbaar, heel even, voordat ze weer in het grote niets verdwijnen, definitief herinnering geworden. Op Uitzending Gemist: de herhaling.
bron
- de Contrabas: Hoe word ik een beroemd schrijver? 5 Feb 2012
- de Contrabas: Tegen de decadenten 5 Feb 2012
'Met de schaamteloosheid van een lepralijder'
De ziekste 'essaybundel' over de Nederlandse literatuur is waarschijnlijk Tegen de decadenten. Een drietal beschouwingen over onze hedendaagsche letterkunde, door Johan Ponteyne, De Deltareeks, De Amsterdamsche Keurkamer, Amsterdam, [1941].
Bij kenners zullen direct de alarmbellen rinkelen: Johan Ponteyne, dat is toch één van de pseudoniemen van dichter, prozaïst, vertaler en bloemlezer A.J.H.A. Wensink, in het dagelijks leven bekend als Aleid Wensink (Apeldoorn, 31-10-1920/Oostburg, 12-8-2001), en ook actief onder de pseudoniemen Willem Enzinck en George de Sévooy? Juist ja, dat is de man.
En De Amsterdamsche Keurkamer, dat was toch de uitgeverij van George Kettmann Jr.? Precies, de uitgeverij waar ene Adolf Hitler de Nederlandse vertaling van zijn bestseller Mein Kampf gestald had.
Goed - dat hebben we duidelijk. Terug naar Tegen de decadenten. Dit curieuze boek, waarin de schrijver enerzijds de lof zingt op smeders van nazi-verzen en auteurs van 'volkse' verhalen en anderzijds alle andersdenkenden verkettert bevat een groot aantal gedichten. Waarmee het strikt genomen ook als bloemlezing gezien kan worden. Maar dan wel een hele vreemde.Zo bevat het extreem veel gedichten van George Kettmann Jr. (1898-1970, toevallig ook de uitgever van het boek) en een aantal van Steven Barends (1915-2008, de bloed- en bodemvertaler van Mein Kampf), één gedicht van nazi-Vlaam Ferdinand Vercnocke (1906-1989) en een vers van de eveneens weinig koshere Vlaam Jef Hinderdael (1877-1948). Op zich niet vreemd dat werk van hen in dit bij een nazi-uitgeverij verschenen boek van een nazi-auteur is na te lezen.
De echt vreemde eenden in deze nazibijt zijn de gedichten van 'de decadenten', en helemaal vreemd is hoé ze erin ingeleid en afgedrukt staan:
'Wij willen echter vóór alles in de drie navolgende opstellen, onze volksgenoten wijzen op een gezonde litteratuur en de dringende noodzakelijkheid daarvan, en hen er van trachten te overtuigen, dat onze letterkunde onder géén voorwaarde mag dienen als stortplaats voor het geestelijke vuil van zekere ontaarde en verziekelijkte artiesten, die, geestelijk vaderlandsloos geworden, hun enige levenstaak nog zien in het besmetten van anderen!' (...)
'In dicht- zowel als in prozakunst zingen deze zelf zo mislukte schrijvers (want och, hun geest is in het creatieve zo oneindig steriel!!) de lof van het koele vernuft. Wanneer men dan ook hun opgeblazen theorieën er over leest, zijn de verwachtingen omtrent hun werk wel heel hoog gespannen. . . Daarom wil ik er enkele kleine stalen van geven ter illustratie:
Ik heb met eerbied het portret
van Vader uit de lijst genomen,
waar zoveel stof was ingekomen
en toen weer in de lijst gezet.Dit is een gedicht van den heer E. du Perron, inmiddels overleden, die immer op marktjoodachtige wijze de manager speelde van de nieuwe vernuftslitteratuur. Verbluffend, niet waar?. . . maar het schoonste komt nog: twee nieuw-zakelijke verzen van rijmelaars, wier namen ik uit verachting niet zal noemen:
DE BLOEM
Deze bloem
Op mijn hoed
Is geen bloem
Maar van goed.MARGRIET
die stond tusschen gras
in de weide, die was
een frissche margriet,
maar bleef dat niet,
ze kwam voor het raam
van een huiskamer staan
alleen met een smal vaasje aan.Een normaaldenkend mens, die ook maar enige Ahnung van litteratuur heeft, zal deze stuntelige knoeierij terecht kenschetsen als lagere-school-gebroddel, zeer geschikt tot tijdverdrijf voor zwakzinnigen, maar. . . de grote heren Vestdijk, Greshoff c.s.. . zij noemen dit Kunst, en scharen zich
met artistiek-geleerde gezichten rond deze intellectuele nonsens, lijk de koeien in het voorjaar rond de eerste boterbloem . . . En dan is het toch zeker wel Kunst. . .'De namen van de makers van de twee gedichten die Wensink te verachtelijk vond om te noemen zijn respectievelijk Anton Koolhaas (1912-1992) en Han G. Hoekstra (1906-1988). Ook de toen nog jonge Louis Th. Lehmann (1920) krijgt er van de fijnzinnige nazi-essayist van langs:
'Het is niet alleen de door hen ijverig voortgezette intellectualiteit, waarvan de „jongeren" de wegbereiders waren, welke hun werk voor ons ontoegankelijk en waardeloos maakt - het is ook de drang naar originaliteit, die hun verzen volkomen onverstaanbaar doet zijn. De poëzie van deze allerjongsten is werkelijk, geloof mij, gekristalliseerde kolder, die het meest geapprecieerd werd door de redacteuren van het jongerenperiodiek Werk, dat inmiddels haar taak overgenomen ziet door het maandblad Criterium. Ik geef u een voorbeeld en citeer een gedicht, De Ring en De Wolk van de hand van een zekeren L. Th. Lehmann.
De steenkoollaag steekt uit de aarde
Als een vuist
Om paardenschedels te verpletteren.De aderen in mijn oogen barsten
Tot afgronden en rijzwepen
Ik laat u aan mijn lot overStrijk was over mijn oogholten
En leid mij over de brugVan parelmoer
Tusschen twee zonnen
Op hertengeweienBij een dergelijk product kan men niet eens meer spreken van de expressie van de allerindividueelste emotie - alles is even stuntelig en houterig. En bovendien wat hier geschreven staat, is dat een emotie?? Zoveel is zeker: dit is voor een normaal denkend mens een opeenstapeling van doodgewone
huis-tuin-en keuken-kolder, maar. . . door de redactie van genoemd tijdschrift wordt zulks gewaardeerd als de persoonlijke uiting van een bizonder origineel talent!! Ik geloof dat het bovenstaande ruimschoots voldoende is om een kleine indruk te geven van het deplorabele peil waarop onze jongste dichtkunst zich beweegt.'Na wat gefulmineer tegen Anthonie Donker (1902-1965) stort Wensink zich op Eric van der Steen (1907-1985):
'In genoemd artikel staat de heer Donker ook uitvoerig stil bij een „dichter" die zich noemt Eric van der Steen. Mijn aandacht werd door de woorden, die de schrijver aan hem wijdde, getrokken, en ik besloot eens wat meer uitgebreid van zijn werk kennis te nemen. Nu weet men weliswaar van te voren, dat het ter hand nemen van producten, ontsproten aan het brein van hen die heden ten dage ,,en vogue" zijn, steeds op teleurstelling en ergernis uitloopt over zoveel zielloosheid, zoveel weëe misselijkheid, verkapte verwaandheid en zoveel eunuchendom, die hierin bijeen staan - doch ik had het er ditmaal toch eens voor over.
De heer Van der Steen echter heeft mijn ergernis nog verre overtroffen en deze om doen slaan in complete walging, toen ik in één van zijn bundeltjes „Kortom" (verschenen in De Vrije Bladen: men ziet tot welke ziekelijke excessen deze soort vrijheid aanleiding geeft!!) het volgende ploertige vers las:
jonge man die trouwen gaat
trek naar 't strand
terwijl zij baadt
keur haar voeten en haar teenen
zie haar beenen en haar borsten
blijft uw zin
kies dan zee en lijf u in.Na lezing van de hierboven aangehaalde pornografie op-rijm kan men slechts één gevolgtrekking maken, n.l. dat iemand, met de schaamteloosheid van een lepralijder, die vol trots wijst op zijn stinkende wonden, in deze vieze vorm blijk geeft nooit over zijn prilste puberteitsjaren heen te zullen komen en dat deze heer van der Steen thans in het juiste stadium van zijn physieke en morele gesteldheid is gekomen om eens duchtig te worden onderzocht.'
Na de oorlog legde de Ereraad voor Letterkunde A.J.H.A. Wensink wegens o.a. deze essaybundel een publicatieverbod tot 1 april 1953 op. Een verbod waar hij lak aan had; al in 1950 bracht hij onder de naam Willem Enzinck een dichtbundel, een boek over Limburgse beeldend kunstenaars, een door hem uit het Duits vertaald boek en een bloemlezing met gedichten over moeders uit.
bronnen:
Tegen de decadenten. Een drietal beschouwingen over onze hedendaagsche letterkunde, door Johan Ponteyne, De Deltareeks, De Amsterdamsche Keurkamer, Amsterdam, [1941].
De Koninklijke Bibliotheek
De Nederlandse Poëzie Encyclopedie i.w.
Familieberichten On-line
Scan van advertentie van Amsterdamsche Keurkamer afkomstig van Mijn Kamp, door Klaas A. Mulder
Adriaan Venema, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie. Deel 3A De kleine collaboratie, de Arbeiderspers, Amsterdam, 1990bron
- de Contrabas: Koot en Bie: terugblikken 5 Feb 2012
Vanavond deel 1 van een drieluik over Koot en Bie, op Nederland 2 om 20: 20. Het door Coen Verbraak gemaakte drieluik Koot en Bie sloegen weer toe wordt mooi besproken op de website van Trouw, waarin Bie verzucht: "Onder de dertig kent niemand ons. Dat is goed zo". Maar ooit, ooit waren Koot en Bie dé ankerpunten voor eh... onze generatie. En ze hielden ook van literatuur:
bron
- de Contrabas: Ted van Lieshout gisteren bij P&W 4 Feb 2012
- de Contrabas: Thematische bloemlezingen 4 Feb 2012
De Het wekelijkse column essay van Bart FM Droog*
Waarschuwing: het volgende essay is gebaseerd op de vondsten tot dusverre. Er kunnen nog bloemlezingen opgegraven worden die het onderstaande relaas volkomen ineen doen storten. Maar dit terzijde.
Naast de overzichtsbloemlezingen of anthologieën uit het werk van een bepaalde groep poëten (studenten-, jonge, vroeggestorven, prof-, uit een bepaalde stad, streek- of provincie-, levende, zondags-, nazi-, reli-, bejaarde, demente, dode, vergeten (al dan niet in combinatie met levend of dood) en vergane dichters) kennen we ook de thematische bloemlezingen.
Vaak wordt daar een beetje smuilend over gedaan. Geheel ten onrechte: want in dat soort bloemlezingen staat het gedicht centraal, en minder de dichter. Ook verkoopt dit soort anthologieën goed. Althans, dat deduceer ik uit het grote aantal themabloemlezingen dat sedert 1913 op de markt is gebracht
1913. Een gedenkwaardig jaar. Vooral vanwege de Nationale en Internationale Landbouwtentoonstelling die toen in Den Haag georganiseerd werd. Een evenement dat van buitensporig grote invloed is geweest op het Nederlandse poëzielandschap. Want het betekende de geboorte van de eerste mij bekende themabloemlezing uit de 20ste eeuw: De landbouw in de poëzie. Ter gelegenheid van de nationale en internationale landbouwtentoonstelling gehouden te 's-Gravenhage in 1913 (Onder red. van W.C. Capel. 's-Gravenhage, Koninklijke Nederlandsche Landbouwvereeniging, 1913).
Ook in dat jaar verscheen bij de mysterieuze uitgeverij Z.J. Koning in het gehucht Oostwolde (Oldambt) Mosroosjes, de zoveelste naar planten genoemde bloemlezing in de reeks 'Ernstige en luimige gedichten'. Ergens in de 19de eeuw bracht bloemlezer/drukker/uitgever/boekhandelaar Z.J. Koning (19de eeuw/20ste eeuw) het eerste deel van deze reeks uit. Fuchsia's, Madeliefjes en meidoorns, Goudsbloemen, Heestertakjes - een schier misselijk makende lijst van groen- en ander onkruidtitels, die bovendien herdruk op herdruk beleefden. Nota bene: dit waren - zover ik weet - géén themabloemlezingen.
Terug naar de themaänthologieën. Kort na 1913 brak de Eerste Wereloorlog uit. Dat bleek niet alleen een geweldige boost voor de techniek, de kunst en de vrouwenemancipatie, maar ook voor de poëzie. Want ten gevolge van de frisse, vrolijke oorlog die van 1914 tot en met 1918 in met name België woedde verscheen de volgende themabloemlezing: Oorlogspoëzie verschenen in 1914 en 1915 en onuitgegeven gedichten. Verzameld door Jan Bernaerts en Hendrik Heyman, Drukk. van het Militair Gesticht van vakheropleiding voor zwaar gekwetsten uit den oorlog, Port-Villez, 1916. 218 p.
Dit was het eerste deel in de reeks thematische oorlogsbloemlezingen, die tot op de dag van vandaag in Nederland en Vlaanderen verschijnen. Niet al te lang geleden breidden zowel Tom Lanoye (o.a. Overkant. Moderne verzen uit de Groote Oorlog, 2004) als Geert Buelens (Europa Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog, 2008) deze reeks met omvangrijke boekwerken uit.
In de jaren twintig zien we tal van bloemlezingen met revolutionaire poëzie. Revolutie was toen zeer in de mode, getuigen: Revolutionaire poëzie. Bloemlezing uit de werken der revolutionaire dichters. Geschikt voor declamatie [op omslag: Revolutionaire verzen], [1920] en Bloemlezing van revolutionaire poëzie (klik erop en lees het pdf.bestand)(1923).
Landbouw, oorlog en revolutie, dat waren de belangrijkste thema's in het eerste kwart van de twintigste eeuw, bewijzen ook de volgende opgegraven bloemlezingen: Landleven. Gedichten en prozafragmenten (1923) en Vlaamsche oorlogsliteratuur. Bloemlezing (1924).
Maar dan. Er is geploegd, gezaaid, geoorlogd en gerevolutioneerd. Inspannende bezigheden, die vragen om een weerwoord. En jawel, weer wijzen de thematische bloemlezingen de weg (of getuigen van de tijdsgeest, dat kan ook): “Hoog het glas!” [1927] en Dietsche Lusthof (1927). En wat volgt na al dat gefeestbeest? Jawel, de kater: Verzen van stilte en inkeer (1927).
(wordt vervolgd)
* Deze week leerde ik dat bepaalde fondsen wel de productie en publicatie van essays subsidiëren, maar niet die van columns. Vandaar deze ondertitelwijziging.
** De afbeelding is de voorkant van een bloemlezing uit 1929: Tijdsignalen. Bloemlezing uit de moderne revolutionaire poëzie. Amsterdam, Arbeiderspersbron
- de Contrabas: Over Mijn naam is Legioen, Menno Wigman 3 Feb 2012
Door Koenraad Goudeseune
Ik geloof dat ik de eerste ben in de Nederlandse poëziekritiek die Jozef Ratzinger, paus Benedictus XVI dus, met instemming citeert. In Jezus van Nazareth, deel I' noteert hij over theologische exegese: '(...) is het echter ook belangrijk te beseffen dat ieder wat zwaarwegender woord van mensen al meer in zich bergt dan de auteur ervan zich op dat precieze moment bewust is. De innerlijke meerwaarde van het woord, dat uitstijgt boven het moment zelf, geldt zoveel te meer voor de woorden die gerijpt zijn in het proces van de geloofsgeschiedenis. Daar spreekt de auteur niet simpelweg vanuit en voor zichzelf. Hij spreekt vanuit een gemeenschappelijke geschiedenis, die hem draagt en die tegelijkertijd haar eigen toekomstmogelijkheden, haar verdere weg al stilletjes in zich bergt. Het proces van verder lezen en ontplooiing van woorden, zou niet mogelijk geweest zijn als niet in de woorden zelf zulke innerlijke openingen al aanwezig waren. (curs. van mij, KG)'
Innerlijke openingen. Het woord 'Legioen' is zo'n opening. Menno Wigman vat zijn nieuwe bundel aan met het bijbelvers uit het evangelie van Marcus, hoofdstuk 5 vers 9, en pal daaronder iets van de rockster Johnny Rotten met veel fuck, fuck this and fuck that / Fuck it all and fuck the fucking brat. Het bijbelvers gaat zo: 'Daarom vroeg Hij hem: 'Wat is uw naam?' 'Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen.'
Ik weet niet hoe dat bij u zit, maar op mij heeft een bijbelcitaat altijd een verpletterende indruk. Hoe bedenkelijk van strekking ook? Ja. Op welk boek werd er door de eeuwen heen zo vaak gezworen de waarheid en niets dan de waarheid te spreken? Is het niet alsof al die dure eden zich bij de schrift zelf hebben gevoegd en ook al werd en wordt er net zo vaak of zelfs meer krom gesproken en onwaarheid beleden, de act van het zweren, het zich beroepen op, verleent dat boek, die bibliotheek van boeken, een extra ernst, een extra lading geschiedenis. En of die geschiedenis nou verwerpelijk of tot eer strekkend is, doet er eigenlijk niet toe.
De mooiste foto van Gerard Reve, ik bedoel de foto waarop hij voor mij het volledigst Gerard Reve is, is die waarop hij aan een mica treintafeltje in de bijbel zit te lezen, het leeslint tegelijk parmantig en devoot tegen het goud op snee der bladzijden vlijend. Papieren vlaggetje , geel, met een toelopende punt dat uit het pochet van zijn vest steekt en waarmee hij de vorige paus, die Pool, in Ieper gaat begroeten, juli 1986. Ik ben eens voor de grap op zoek gegaan naar een bijbelvers dat helemaal geen gewichtigheid bezit en eerder als cement tussen twee andere bijbelverzen moet worden opgevat. Niet gevonden! Je meent het? Ja, dat zegt inderdaad iets over de teksteconomie waarmee al die epiek zich presenteert.
Doet Marcel Proust er een tiental bladzijden over om zijn tante 's morgens in haar kamer gedag te zeggen, Jozef heeft in 'Genenis' welgeteld aan één zin genoeg om de komst van zijn vader aan de Farao te melden. Helemaal het einde vind ik het om daarbij de oudste Nederlandse bijbelvertalingen te gebruiken, de Statenvertaling uit 1637 bijvoorbeeld, waarvan dat vers uit het Euangelium Marci aldus luidt: 'Ende hy vraeghde hem, Welck is uwen naem? ende hy antwoordde, seggende, Mijnen naem is Legio, want wy zijn vele.'
En voor je het weet ben je vertrokken natuurlijk, want dan ga je ook de kanttekeningen lezen, lekker ouderwets met een loupe bezig, en die kanttekeningen verwijzen dan weer dieper dat dikke boek in, verder terug in dat oerdegelijke oude Nederlands dat zich steeds meer met betekenis gaat wapenen. Altijd het gevoel daarbij dat ik in een museum loop en de toestemming heb om de miniaturen, schetsen, schilderijen, beelden, gebruiksvoorwerpen, alles wat daar hangt, staat of ligt te bevoelen en te besnuffelen en het desnoods naar mijn kamer mee te nemen, er mij haast fysiek één mee te maken, heel vreemd. Dat ik de glazen kasten waarin al dat exquis erfgoed ligt tentoongesteld mag openen en er op mijn gemak in mag bladeren, zo'n gevoel. En zo leer je ook eens wat.
Legio, dat eerdere woord voor Legioen, was een regiment krijchsknechten, waer van siet Matth 8:28. En ook daar een kanttekening, loupewerk: Legio was gemeynlic een hoop van vijf duysendt voetknechten ende vijf hondert ruyters, somtijdts meer, somtijdts min, daerom wordt dit woort Legio, somtijts genomen voor een heyrkracht, ofte voor seer vele.'
Je kunt deze liefhebberij natuurlijk tot in het krankzinnige uitwerken, maar als een en ander binnen zekere maten en esthetische perken blijft, houd ik er erg veel van, alleen al het taalplezier! Schiet nou maar wat op, tante.
Met 'Legioen' wordt dus een hoop uit te drijven duivels bedoeld, het bijbelfragment is in de Statenvertaling erg beeldend. 'En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen. En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt. (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens.) En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio, want we zijn velen. En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond. En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen weidende. En al de duivelen baden Hem, zeggende: 'Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen: en de kudde stortte van de steilte af in de zee.'
Menno Wigman bezong al eerder de onlustgevoelens van het moderne stadsleven en ook in dat vroegere werk was de bijbel in methaforische zin nooit ver weg. In het gedicht 'Slechte gedachten' (uit 'Zwart als kaviaar') schrijft hij: 'Zelfs in het licht van het begin / was het een bijbelzwarte nacht.' En dit prachtige: 'De taaie spieren van een woord / dat eeuwen eerder is gezegd.'
Opvallend bij dit gedicht is ook hoe volstrekt unisono qua thematiek het met een ander gedicht is, van een generatiegenoot, Charles Ducal en diens 'Begin', waarin de 'ik' zich zijn eigen conceptie voorstelt, het geslachtelijks dienaangaande, de vrijpartij van zijn ouders dus. En die voorstelling is nooit vrij van wat ik hier maar gemakkelijkheidshalve porno-alarm zal noemen: 'Hoe werd ik begonnen die nacht?'/ In welke schuwe, onzegbare woorden. () Lagen zij in hun schaamte te zweten, enkel ontbloot van geslacht / tot geslacht? Kwam ik uit liefde?/ Of door een godsdienst bedacht?' En Menno Wigman vraagt zich af: 'Ben ik een vochtig misverstand? / Werd ik beraamd? Ik ben de uitkomst / van een enthousiaste winternacht, / de nasleep van een natte grap / die mij alsnog ontgaat.'
Er zijn wel meerdere raakvlakken tussen Menno Wigman en de Vlaamse dichter Charles Ducal en een preocupatie met porno is daar slechts één van. Dit geeft aan dit uurtje cathegese meteen een aardige wending, u zegt het, maar wat me daarbij ook opvalt, is dat een preocupatie met porno eigenlijk ieder mens geldt, hetzij het hem vervult met walg en schuldgevoel, hetzij hij het gewoon lekker vindt en het hem allemaal geen ruk kan schelen, hetzij zijn onverschilligheid van recente datum is of ook alweer vergeten. Waarom zou dat bij dichters anders zijn? Kan poëzie dan fatsoenlijk over porno spreken? Wie weet?
Had Marcel Proust het ding gekend, en had hij het met eenzelfde fenomenologisch luisterende beschrijfdrift benadert, wie weet leverde het erg smakelijke bladzijden op? Ja, natuurlijk is dat onzin. Maar het heeft misschien niet eens zoveel gescheeld? Film was in Prousts tijd nog maar een flauw plantscheutje en omdat hij er zo gebiologeerd door was en er een soort wetenschappelijke zorg aan wou besteden, zou hij zich vast ook over pornografie hebben gebogen, alleen al misschien omwille van de penetrerende kracht die het op jonge mensen heeft en in welke vorm het ook een engelachtig wezen bereikt en het louter visuele ervan.
Ik bedoel maar dat ons spreken in die zeeën van gewoonheid en lelijkheid ook eilanden kent waarop het er anders aan toe gaat, waarop dat spreken als het ware ruimte biedt aan rechtschapener inzichten, als met een andere stem en vanuit een andersoortig gezag gesproken. En ondermeer dat heeft poëzie dus met religie gemeen, naar mijn aanvoelen. Alsof er aangaande het religieuze beleven en het zuchten om de eigen zieleheil ook een pornokant zit en er bijgevolg wel iets voor te zeggen valt dat alles wat religie aangaat een strikt privé-aangelegenheid hoort te zijn. Soms denk ik dat religie het sexuele genot verzuurt omdat je je nu eenmaal niet kunt overgeven aan het memoreren van smartelijke gebeurtenissen terwijl je geniet, behalve in een masochistisch zwelgen. Een regel die dat naar mijn smaak perfect illustreert en waarbij ik hardop in de lach schoot: 'Vanochtend bij de tandarts aan je kont gedacht.'
Het mechaniek van Wigmans humor zit hem misschien in het virtuoos wisselen en het aan de orde stellen van erg ongelijksoortige decors en de frictie van wat normaliter geen mengmogelijkheden bezit. Waar we porno vooral invullen als lustbeleving, biedt Wigman een setting waar een tandarts een al net zo ingrijpende vleselijkheid heeft te dragen. En dat schuurt op onze lachspieren. Ik herinner me een lezing van Menno Wigman waarop hij zich vrolijk maakte over de golf van herkenning die altijd door de zaal trekt bij deze regel: ''s nachts onder je pc je zaad opvegen.' (Uit 'Tuincentrum Osdorp')
Ook in het gedicht 'Rust Niet' wordt naar de bijbel verwezen: 'De hemel kijkt niet in de bijbel, geen ster/ spelt de koran. Maar wie goed lezen kan / ziet elke penning voor een zegen aan.' Openingen dus. Ieder gedicht van Wigman ontsluit zo je wil een duivel of meerdere tegelijk, daar ze met velen zijn. En in 2012, op een van de rijkste plekken van de wereld, hoger opgeleid en in relatieve luxe (hotels, aftershave, taxi's, dope, mooie meiden, succesvol) maakt het voor de duivel en zijn trabanten a walk in the park Wigman te bezoeken. Met zoveel godsdienst als achterdoek, is sex natuurlijk het eerste wat kietelt en detoneert. Daarnaast natuurlijk het feit dat een mens met ouder worden er niet jonger op wordt en ook mede daardoor in zijn meest enthousiaste activiteit wordt begrensd.
'Man, eenentwintigste eeuw, kaal, gezet / en met een onvervreemdbaar recht op seks', zo schrijft hij in een gedicht waarin hij zijn mededogen met een hoerenloper bevraagt. 'En is het waar dat ieder na zijn veertigste / voor zijn gezicht verantwoordelijk is?' Al heel wat geleefd dus en 'geen bed werkt over'. Met 'Tot mijn pik' opent Wigman de bundel: 'je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe / van wie je ziedend van je zaad ontdoet.' Van een zinnelijke klankrijkdom is ook dit: 'En naakt / als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd.' Nog meer bijbel: 'De halve ark van Noach lag hier in de vriezer.'
Ik heb in het begin van mijn stuk vrij lang blijven stilstaan bij dat bijbelfragment waaraan Wigman de titel van zijn bundel ontleent. Daar lezen we niet alleen dat de duivel met veel is, maar ook: 'Want hy was menichmael met boeyen ende ketenen gebonden geweest, ende de ketenen waren van hem in stucken getrocken, ende de boeyen verbryselt, ende niemant was machtich om hem te temmen.' En het vers daarna luidt in de Statelvertaling van 1639 aldus: Als hy nu Iesum van verre sach, liep hy [toe], ende aenbadt hem.' Een biddende duivel dus, hoe vreemd. Of toch net zo vreemd als een engel met een criminele inborst.
Een demoon die niet voor één gat te vangen is, zo kunnen we het ook begrijpen en in deze vergelijkbaar met de complexiteit van het moderne stadsleven, aldus Wigman. Nu zie ik daar allicht niet méér in dan mijn eigen religieuze folklore, maar je hoeft natuurlijk geen ultramontaan te zijn om Ratzinger hier voor een deel te volgen: 'Dat de afzonderlijke boeken van de Heilige Schrift, evenmin als de Schrift als geheel, louter literatuur zijn.' Je kunt namelijk deze zin ook lezen met als onderbelichte rest: literatuur. En hààr noodzakelijke heiligheid wordt door de dichter betracht. Met 'een mond vol Proust en Bloem.' En daarin wordt al aannemelijker dat die duivel er zelf om vraagt bezworen te worden, overgedragen tot de varkens. Het betreft hier zijn eigen wilsbesluit. Ook hier lijkt literatuur er op gebrand te zijn de menselijke soort te schaden en haar in het gezicht uit te lachen.
Kortom: de dichter heeft het allemaal aan zichzelf te danken. Dicke sult, eyge bult. Er moet maar weer eens kunnen worden gelachen in de poëziekritiek. Wigman toont zich hierin een groot dichter dat hij deze thematiek des eigen navels weet uit te vergroten en er het leven vollediger mee vangt, samen met het zijne ook dat van ons, want we kunnen er ons in herkennen. Wat bij een mindere bard vaak tot een soort noodlotstemming noodt zoniet helemaal om te huilen is, omzeilt Wigman, of beter overtroeft hij met regels die qua geestigheid en taalmuziek hoog scoren. Dit bijvoorbeeld: 'De regen, droever dan een roebel, praat hoogmoedig op je in.' Ook hier drie maal en drie maal met een soort vertraagde nadrukkelijkheid: oe oe oe.
Maar in geval van Menno Wigman gaat rijm ergens over, het gaat ergens naartoe, er is geen achteraf waarin nog altijd moet worden gebeden. Was het taak deze of gene demoon te bezweren dan is hij ook bezworen. Om het met een begrip uit de theologie te zeggen: het alsof Wigman er ook in slaagt over de eschatologische termen van ons bestaan te spreken, de leer van de laatste dingen voor een moderne stadsmens en zijn onlusten. En er mag dan wel veel dood in die verzen steken, ze worden onder onze neus ook zo geboren, zo echt bedoel, dat het is alsof je geheugen ze op de één of andere manier wil dopen, ze bestendigen in eigen naam. Wat ook niet erg machtig blijkt te zijn overigens of veel lijkt te betekenen, want met 'inkt van niks die zegt dat we bestaan.' In 'Lelijk zijn we' gaat het zo: 'Ik las / dat in het Paradijs geen spiegels waren.'
Voor Menno Wigman, wat zijn die laatste dingen nu al? Dat zijn moeder dood gaat, bijvoorbeeld. In 'Kamer 421' doet Wigman iets met rijm waarvoor het eigenlijk bedoeld is. Hij schrijft: 'Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,' Ik heb het geluk niet gekend mijn moeder oud te zien worden, te zien af takelen en op gezegende leeftijd te verliezen, maar ik heb wel eens gedacht dat ze als oud vrouwtje ineen zou zijn gekrompen als een kip, verkruimeld tot stukje gebak met een mantel, een haarnetje en een wandelstok. Dit alles lees ik in die regel. Alle moeders gaan kapot. En gedichten zijn misschien 'zwachtels voor de hersenstam'. Nog meer moderne duivels: Vuilstort, hiphop, 'Alleen een dreun die viert dat niets zichzelf uitziekt.' Massavaccinatie, Tuincentrum Osdorp. 'Ik weet het: iedereen zijn eigen hel. / In leven blijven, naar je werkplek tijgen.' In 'Slotsom' luidt het: 'Je sterft alsof een fruitkast geld uitkotst.' 'De waanzin zelf gaat goed gekleed.' 'De zieke adem van immens gespierde stenen.'
Mensen, wat een prachtige bundel is Mijn naam is Legioen! Je wordt vrolijk van Wigman. Hoe als in mineur slechts dit te lezen valt, ik word er toch vrolijk van: 'Soms voel je bijna dat je leeft. Je boekt / een vlucht, betreedt een stad, neemt kamers in / en waant je halfgod bij een kofferklik.' Er worden ook twee eenzame doden bij het graf uitgeleide gedaan, bij één vond men een kat op zijn borst in vergevorderde staat van ontbinding, zo ver zelfs dat het een stuk textiel wordt ter troost. Dit over de top zijn troost vreemd genoeg.
Wat je demonen ook moet nageven is dat ze leep zijn, dat spreekt voor zich. Als we Marcus mogen geloven, kunnen ze ook bidden. Biddende, bezwerende demonen die er zelf om vragen in zwijnen te mogen overgaan. De duivel, allemaal geestelijk, ziet die zielsverhuizing als een uitweg, niet gepijnigd te worden, en dat hij daarbij niet om zijn eigen dieronvriendelijkheid maalt, valt licht te begrijpen. Is dit wat Menno Wigman ook vraagt? Het zou al te makkelijk zijn daarop bevestigend te antwoorden, want ook 'literatuur' is in de wereld van Wigman een demoon en dan komen we tot de eigenaardige vaststelling dat literatuur er pas kan zijn als zij haar eigen zwijgen bevordert. 'Ik had vandaag een nieuwe pen gekocht' schrijft hij in het slotgedicht 'De weg van alle boeken', 'en zeven keer schreef ik mijn naam. / Toen moest ik huilen. God, wat huilde ik.' Is dit Menno Wigman goes Idha Gerhardt? Nee, daar blijft het te geestig voor en ter uitleg kun je er ook nog wat Reve tegenaan gooien misschien, maar ernstbiedend grappig is het zeker. Het is 'Iets met verdwaasde hoogmoed, dunne roem / en een goddelijk trauma dat ik niet noem.'
In 'De kant van Swann' schrijft Marcel Proust over het ontluikende dichterschap dit: 'En 's avonds, mijn hand vasthoudend, wees ze mij, als we voorbij de kleine tuinen van haar vazallen kwamen, op de bloemen langs de lage muren die hun paarse en rode trossen ertegenaan vlijden en leerde me hun namen. Zij hoorde me uit over de thema's van de gedichten die ik van plan was te maken. En door die dagdromen werd mij duidelijk, aangezien ik later een schrijver wilde zijn, dat het tijd was te weten wat ik dacht te gaan schrijven.' In die hoogromantische traditie lijkt het wel alsof Wigman een uitvaartvariant schrijft als hij zegt: 'Vannacht, ik was nog op, stond de literatuur / dronken aan mijn deur. Rot op, riep ik, rot op, / je hebt je kans gehad. Toen droop ze af / en keek ik weer wat grand old Google bracht.'
Van een fenomenologische geestigheid is dit: 'Zebra's zonder huid'. En hij is nergens sentimenteel, niet omdat hij aangaande gevoeligheden voortdurend als een ijspiek in het gelid staat, maar omdat hij er in slaagt die perfecte mix te brengen waardoor onze gemakkelijke tranen alsnog kunnen vloeien. Abortus, vruchtonderbreking, om maar eens een gevoelig thema aan te raken, en de mentale ellende die dat àltijd met zich meebrengt, zag ik glashelder in het gedicht 'Kernrot' en excelerend in deze regel geformuleerd: 'Soms schrijft het op de speelplaats van de maan / een naam die ik herken.'
Hoog tijd dat ik zijn 'Red ons van de dichters' ga lezen.
© Koenraad Goudeseune
bron
- de Kleine Zaal: [nt] 3 Feb 2012
- de Contrabas: Jeroen Olyslaegers sprak: 3 Feb 2012
Sta mij toe om eerst naar voor te schuiven dat het keurslijf van de verontwaardiging mij al te zeer knelt. Onze huidige samenleving maakt het immers al te gemakkelijk om verontwaardigd te zijn. De leugen lacht ons open en bloot toe. Je staat op, je maakt ontbijt en je zet achteloos de radio op om naar het nieuws te luisteren.
Twee minuten later staat het schuim al op je lippen. Je bent verontwaardigd. Alsof het een tweegesprek is, roep je een paar politici van alles toe. Je verwijt ze een gebrek aan visie. Je vermoedt dat ze niet de belangen van de bevolking verdedigen, maar geheel iets anders dienen: de banken, de multinationals, de energiegiganten
{De meer dan volzette 'Avond van de Verontwaardiging' in de Beursschouwburg op 31 januari 2012 bood een gevuld programma. Er waren lezingen van schrijver Jeroen Olyslaegers, politicoloog Jeroen Van Laer (UA) en auteur Dirk Barrez (DeWereldMorgen.be) gevolgd door een levendig publieksgesprek.}
bron
- de Contrabas: Jacques Gans: Liefde en goudvissen 2 Feb 2012
In zijn mini-column voor de VPRO-gids heeft Wim Brands het deze week over Liefde en Goudvissen, de roman van Jacques Gans. Ik herinner me nog precies wanneer en waar ik het boek voor het eerst las: in Leuven, waar ik toen vijf maanden woonde, in een kot van 2 bij 2,5 met op de deur een bordje 'Nooduitgang'.
Bij De Slegte ter plekke lagen toen vijf boeken van Gans, die ik allemaal voor rond de 100 frank per stuk heb gekocht: Het pamflet, weekblad tegen het publiek, Berlijns Dagboek, 1931-1933, Liefde en goudvissen en Het vege lijf. Ik las ze alsof het brieven waren, aan mij persoonlijk gericht, boeken met een bordje 'Nooduitgang' erop. Boeken van een dwarsligger met een licht-sentimentele inborst: een Paul Láutaud op polderformaat.
De dwarskop Gans, met zijn slechte reputatie, is nog steeds een Geheimtipp, een schrijver die het zou verdienen om uit de marge te worden geduwd, richting literair centrum (als dat nog bestaat). Zijn stijl, zijn manier van ageren, zijn lust om tegen te zijn, zijn spitse redeneertrant: ze maken bijna alles wat hij schreef, zelfs als het over vakanties met de huifkar ging, onweerstaanbaar.
De briefwisseling die hij onderhield met E. du Perron is uitgegeven onder een titel die het allemaal wel samenvat: Als het moet, alleen tegen de geheele wereld. Gans heeft precies op die wijze geleefd: als schrijver van (helaas) maar twee romans, als columnist van De Telegraaf (wat hem niet in dank werd afgenomen, al had hij veel fans, onder wie A. Roland Holst, hoewel die ook niet heel links was) en als tientjes bietsend drank- en vreetorgel.
Komt u een van de boeken van Gans tegen, in het antiquariaat: verlos het daaruit.
p.s. Zou deze aflevering van Recht voor z'n Raab iets met de roman van Gans te maken hebben?
bron
- de Contrabas: 1070 Bloemlezingen verschenen sinds 1 januari 1900 2 Feb 2012
en de teller loopt door
Een van de bronnen voor het onderzoek voor de Nederlandse Poëzie Encyclopedie wordt gevormd door de poëziebloemlezingen. In de verantwoordingen kan je veel informatie vinden over bundels die niet bij de Koninklijke Bibliotheken bekend zijn. Maar om die anthologieën te onderzoeken, moet je ze wel weten te traceren.
Vandaar dat Jurgen Eissink en ik de afgelopen maanden druk bezig zijn geweest met het registreren van de sedert 1 januari 1900 verschenen bloemlezingen. Hoewel we nog dagelijks ons onbekende bloemlezingen uit de jaren Nul van de twintigste eeuw tot en met de jaren Tien van de eenentwintigste eeuw ontdekken, is Eissink vandaag maar eens gaan turven. Dit is het resultaat:
1900-1909: 40 bloemlezingen
1910-1919: 45 bloemlezingen
1920-1929: 49 bloemlezingen
1930-1939: 86 bloemlezingen
1940-1949: 85 bloemlezingen
1950-1959: 121 bloemlezingen
1960-1969: 86 bloemlezingen
1970-1979: 72 bloemlezingen
1980-1989: 122 bloemlezingen
1990-1999: 171 bloemlezingen
2000-2009: 179 bloemlezingen
2010-2012: 14 bloemlezingen
totaal: 1070 bloemlezingen
Let wel: dit zijn slechts tussenstanden.
Bij deze telling zijn de twijfelgevallen (bloemlezingen waarvan we niet zeker weten of ze aan onderstaande criteria voldoen) buiten beschouwing gelaten.
Enfin, we blijven noest doorspeuren, want nog voor onze dood moet het af. We houden u op de hoogte.
Criteria voor bloemlezingen, zoals gebruikt in het onderzoek voor de Nederlandse Poëzie Encyclopedie
Een bloemlezing is 'een boek bevattende uitgezochte stukken proza en/of poëzie' (Kramers Handwoordenboek Nederlands, 1993)
Een bloemlezing die geregistreerd wordt als bloemlezing in de Nederlandse Poëzie Encyclopedie is daarnaast
1. - een oorspronkelijk Nederlandstalig boek uitgebracht door een 'reguliere' uitgeverij of bedrijf* in een grotere oplage dan doorgaans voor afzonderlijke bundels gebruikelijk is.
* de afgelopen honderd jaar hebben diverse bedrijven die doorgaans geen boeken produceren wel bloemlezingen uitgebracht, doorgaans als relatiegeschenk, in vaak hoge oplagen. Zoals bijvoorbeeld de ESSO-bloemlezingen, oplage 17.000.
2. niet tot stand gekomen als gevolg van een wedstrijd (uitzondering: de beste gedichten van 2010 etc, die een uitvloeisel zijn van de VSB Poëzieprijs)
3. een bloemlezing die voornamelijk werk bevat van 'professionele' dichters (i.e. dichters die werk bij 'reguliere' uitgeverijen uitbrengen).
4. een bloemlezing die niet alleen voor scholieren bestemd is, maar ook voor het plezier gelezen kan worden.
Dus een bloemlezing waar onder een gedicht een hele vragenlijst staat niet, een schoolbloemlezing waarin geen expliciete vragen of opdrachten staan wel. In veel bloemlezingen van vóór 1980 staat vermeld dat ze (ook) voor het onderwijs bestemd zijn - als uitgevers dat in een bloemlezing afdrukten hoefden ze geen rechten aan de dichters te betalen. Een regel waar tientallen jaar misbruik van gemaakt is.
5. een bloemlezing die oorspronkelijk Nederlandstalige gedichten bevat of - wat soms bij Friestalige gedichten het geval is - gedichten die door de dichter zelf vertaald zijn.bron
- de Contrabas: Debuut Michaël Vandebril 2 Feb 2012
Op 4 februari verschijnt het tweetalige poëziedebuut van Michaël Vandebril. Het vertrek van Maeterlinck / L'exil de Maeterlinck "bezit een onbestemde nostalgie die eigen is aan de grote romantische en symbolistische literatuur. Er is geen kaart voorhanden die je op weg helpt in dit poëziedebuut, maar wie ronddwaalt in deze gedichten, wordt beloond met onverwachte beelden en sensaties. (...) De dichter vroeg het gelauwerd dichtersduo Jan H. Mysjkin en Pierre Gallissaires om zijn gedichten te vertalen in de taal van Voltaire. Zijn tweetalige debuut wijst op een grote verbondenheid met de Franstalige poëzie, maar ook met het moeilijke Belgische huwelijk tussen de Germaanse en Romaanse cultuur."
Michaël Vandebril vroeg enkele (video-)kunstenaars om videopoems te maken op basis van gedichten uit de bundel. Swoon maakte een eerste videopoem voor het titelgedicht:
bron
- de Contrabas: Toespraak Komrij Nationale Gedichtenprijs 2 Feb 2012
"Dames, heren! Dit is de derde Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, de prijs lijkt een blijvertje geworden, een klassieker-in-de-dop, het enthousiasme van de deelnemers is onverminderd, en met de reputatie wil het ook wel lukken. De VSB-prijs voor de ivoren toren, de Turing-prijs voor ons straatvolk - de troubadours, de amateurs, de flagrante mislukkelingen en de schuwe genieën. Weer waren er meer dan 10.000 inzendingen, deze derde keer." Zo begon Gerrit Komrij zijn toespraak voorafgaand aan de uitreiking van de Nationale Gedichtenprijs eerder dit jaar.
Ik merk dat ik tot deze groep behoor, deze groep die in zijn toespraak voorkomt: "De poëzie moet naar het volk, vinden de heren (de zeurders zijn meestal heren), maar owee als het volk aan de poëzie komt. Dan is dat ineens populisme, entertainment, vervlakking en toegeven aan de cultuur van 'dat kan mijn kleine broertje ook'." Al zijn mijn bezwaren wel iets fijnmaziger (hoop ik ((en al heb ik natuurlijk wel meegedaan, dit jaar))).
Lichte verbazing maakte zich meester bij het lezen van deze passage: "Uit de Turing-wedstrijd komen grote beloftes te voorschijn, je ziet mimosa-achtig schuchtere types openbloeien en elk jaar wordt er weer op een wonder gehoopt. Jawel, de meeste mensen kunnen niet dichten, al proberen ze het nog zo hard. Geloof niet in scholen en cursussen die beloven van u een dichter te zullen maken. Maar waarom zou er niet ergens een dichter rondzwerven die van zich zelf nog niet weet hoe goed hij (of zij) is? Alle dichters moeten ergens beginnen. Hoe en waar begint de poëzie zelf?"
Graag zou ik de namen van die mimosa-gelijken eens willen horen. Want ik heb ze, tot nu toe, gemist...
bron
- de Contrabas: Wislawa Szymborska overleden 1 Feb 2012
De Poolse dichteres Wislawa Szymborska is overleden. Op de website van de Volkskrant meer informatie, een gedicht en een stuk film. Lees ook dit stukje van Miriam Rasch. De documentaire Einde en begin is hier nog te bekijken. Een niet nader te noemen directeur van een niet nader te noemen internationaal poëziefestival aan de Maas noemde haar werk "ulevellenpoëzie". Nu ja. Toch won zij de Nobelprijs.
Jef van Gool publiceert op Literatuurplein een fraaie herdenking: "'Wanneer ik het woord Toekomst uitspreek, / vertrekt de eerste lettergreep al naar het verleden. // Wanneer ik het woord Stilte uitspreek, / vernietig ik haar. // Wanneer ik het woord Niets uitspreek, / schep ik iets dat in geen enkel niet-bestaan past.’ Het gedicht ‘De drie wonderlijkste woorden', over drie woorden die hun eigen ontkenning al in zich meedragen, is een kort maar daarom niet minder beklijvend gedicht van Wislawa Szymborska in de bundel Het moment."
Op de website van De Standaard een in memoriam: "In de zestig jaar dat Szymborska schreef, werden nog geen vierhonderd gedichten van haar hand gepubliceerd. Toen haar een keer gevraagd werd hoe dat kon zei ze: 'Er staat een prullenbak in mijn kamer. Een gedicht dat ’s avonds wordt geschreven, wordt ’s ochtends nog eens gelezen. Het overleeft het niet altijd.'"
Op het Avondlog citeert Wim Brands deze prachtige regels: "Mijn zuster schrijft geen gedichten / en het is onwaarschijnlijk dat ze plotseling / gedichten zal gaan schrijven. / Dat heeft ze van haar moeder die geen gedichten schreef..."
bron
- de Contrabas: Lezen als straf 1 Feb 2012
Vlaamse barmhartigheid
Lezen als zware straf
Man slipt in Zele
Tot A.F.Th.Tonio is dood maar zijn
Autonoodlottigheid
Zingt door de straten:
Dit laat hij nog na© Eelke van Es
bron
- de Contrabas: Avondnieuws: 1.2.2012 1 Feb 2012
<liefdevolle vioolmuziek> De blogbaas van Mededelingen van het Centrum voor Documentatie en Reëvaluatie, Henri Floris Jespers, laat weten: "Sinds 26 januari 2008 tellen we 120.371 bezoekers, goed voor 236.185 berichten. Om alle misverstanden te vermijden: in tegenstelling tot andere literaire blogs (die vaak niets meer doen dan met enig humeurig commentaar links te leggen naar andere blogs...), worden we niét gesubsidieerd." Hierop plaatste ik deze reactie: "Gelukkig weet ik dat u De Contrabas niet op het oog heeft, in uw een-na-laatste alinea. Welke fora wel, als ik vragen mag?" Maar een reactie terug, ho maar.</liefdevolle vioolmuziek>
Onze medewerker Kees Klok publiceert een nieuw deel van zijn literaire dagboek: Reisgriep, literair dagboek 2007-2008. Meer dan beleefd (en dwingend) aanbevolen.
"In dezelfde week dat de sluiting van diverse jongerencentra aangekondigd wordt vanwege geldproblemen keurt het college van Deventer het peperdure ontwerp van een nieuw stadskantoor goed. Overal valt het woord 'crisis' en worden bezuinigingen aangekondigd die vooral de zwaksten in de samenleving treffen. Hoe verhouden deze berichten zich tot elkaar?" Een antwoord van Lammert Voos, in zijn nieuwe Deventer stadsgedicht.
Op de blog van NrcBoeken een... shockerend bericht. E-boeks zijn NIET onkraakbaar, sterker: ze worden bij het leven gekraakt... De boekenwereld gaat de weg van de muziekindustrie, maar in Nederland laten ze Brein het vreugdeloze "site pesten" beoefenen. Enfin. Het is een schande, maar de reacties op die schande zijn mauwerig.
"A gentlemanly riposte to email is being launched by the literary world as Dave Eggers heads a group of authors who are turning instead to the old-fashioned letter." Ja, terug naar de geschreven brief! Een leuk idee. Ik weet het nog goed, bijvoorbeeld toen ik tijdelijk in Leuven woonde en het contact met het vaderland middels brieven onderhield... Dat waren tijden.
bron
- de Contrabas: Jonathan Franzen en het e-boek 1 Feb 2012
Op de website van The Guardian staat een interessant artikel over de uitspraken die Jonathan Franzen tijdens een persconferentie deed over het e-boek. Op de website van Knack staan sommige uitspraken van de auteur vertaald weergegeven. Ik citeer:
"De technologie die ik echt waardeer is de Amerikaanse paperbackversie van Vrijheid. Ik kan er water op morsen, dan nog werkt het! Dus moet het wel goede technologie zijn. En wat meer is, binnen tien jaar werkt het nog altijd. Het is dus niet te verwonderen dat kapitalisten het papieren boek haten. Het is een slecht businessmodel."
Franzen ziet het maken van een boek als de materialisering van een idee dat de schrijver koesterde en uitvoerde, een materialisering die duurzamer wil zijn dan brons. Voor hem is het drukken, het vergaren van de pagina's en het brocheren of binden een van essentieel belang: "a sense of permanence has always been part of the experience." Hij ziet het e-boek als iets dat elk moment kan worden gewist, door de lezer: "Voor iemand als ik, gek van literatuur, is dat niet permanent genoeg."Franzens betoog, een betoog vóór de tekst, is zeker niet weg te wuiven. Dat schrijvers mensen zijn die zich uitsloven om een tekst te maken en dat het ondanks alle verdienmodellen, verkoopstaten en ondernemersdrift moet gaan om die tekst, in de literatuur, lijkt als besef naar de achtergrond geduwd. Of, in de woorden van Franzen: "Iemand werkt keihard om de taal perfect te maken, precies zoals hij of zij het wil. Als het dan in inkt wordt gedrukt, dan is dat omdat men heel zeker is dat het resultaat mag vastgelegd worden."
Hoe leg je tekst zo goed mogelijk vast: dát zal de komende jaren het strijdtoneel zijn waarop de literatuur haar waarde kan bewijzen, al denk ik wel dat e-boeks (mits professioneel gemaakt) iets kunnen toevoegen aan "de boekenwereld".
Zie voor meer hierover de weblog van Ton van 't Hof die een nieuw app heeft gevonden én doorlinkt naar een universeel-mopperend artikel over de rotzooi die met self-publishing óók naar boven komt. Onder zijn blogpost zegt criticus en dichter Bouke Vlierhuis: "Het lijkt erop dat het je, als je een niet-gratis boek in de iBookstore hebt gezet, verboden is om het nog via andere verkoopkanalen te verkopen. Voor mij reden om de app weer te deleten omdat ik, als ik 1 verkoopkanaal moet kiezen, liever mijn eigen website gebruik."
Het verdienmodel is een molen die namelijk de hele dag draait, door alle lagen van de tekst heen.
bron
- de Contrabas: Ochtendnieuws: 1.2.2012 1 Feb 2012
"Anonymous, de ongewild komische film van Roland Emmerich, wil de wereld kond doen dat de werken waarvan wij misleide zielen denken dat ze door William Shakespeare zijn geschreven, in werkelijkheid uit de pen van Edward de Vere zijn gevloeid, de 17de graaf van Oxford." Simon Schama treedt in het strijdperk.
"Hanno Merkelstein was gedichtenschrijver. Zo noemde hij zich. De dames noemden hem dichter, de heren noemden hem schrijver. Die finesse is hem niet ontgaan, maar liet hem koud." Op Torpedo. Op dezelfde site dit kalenderblad:
In januari staat de stad
ons nog meer dan gewoonlijk tegen.
Wanneer het sneeuwt is het nog wat,
maar meestal blijft het slechts bij regen.Ernest van der Kwast drinkt een espresso met een duivenmelker: "Duivenmelker Pieter Veenstra verkocht afgelopen weekend een duif voor 240.400 euro. 'Het is de duurste duif ooit,' zegt Veenstra trots bij een espresso."
Een interview met Doeschka Meijsing, uit de papieren Tzum, nu online te lezen. Op de website van De Volkskrant een in memoriam van Arjan Peters.
De Marsupilami is zestig jaar geworden... Is dat niet geweldig? Op de website van De Standaard een artikel.
Op de website van The Paris Review een artikel over libertaire librarians... "Porn books and librarians have always had a passionate, mutually defining relationship—it was, in fact, a prudish French librarian in the early nineteenth century who coined the word pornography."
Mocht iemand willen weten wat poëzie precies is, kan terecht op de Facebook-pagina van The Guardian, waar Geoffrey Hill een stomp geeft aan de Engelse poet laureate Carol Ann Duffy. Wie wil weten wat literatuur is, kan terecht op de weblog De Reactor, waar Gijsbert Pols een dansje doet op het werk van Adriaan van Dis: "Het gaat er om dat Adriaan van Dis helemaal geen literaire schrijver is. Van Dis is een literair merk. Een literaire schrijver is iemand die boeken maakt. Dat doet Van Dis helemaal niet. Van Dis ontwikkelt een vertoog – in dit geval over Parijs – dat vervolgens gemedialiseerd wordt, in boeken natuurlijk, maar ook in artikelen, op de televisie, enzovoort."
Ja, alles wordt gemedialiseerd... zelfs de Elfstedentocht... maar ondanks alles is het nu tijd om de schaatsen uit het vet te halen en het vet weg te schaatsen...
bron
- de Kleine Zaal: [nt] 31 Jan 2012
- de Contrabas: Nieuw gedicht Lukas Meekers 31 Jan 2012
- de Contrabas: Ludo Abicht over Annemarie Estor 31 Jan 2012
"Vijf maal heb ik De oksels van de bok gelezen. Als je dit werk voor de eerste keer leest, als een argeloze lezer, word je bevangen door een diep medelijden met de studenten literatuurwetenschap die over pakweg een halve eeuw deze tekst zullen moeten bestuderen. Zij zullen bij benadering deze tekst moeten begrijpen, het gedicht op een filologisch zinvolle manier tijdens een examen moeten kunnen verklaren, en het daarna nog eens aan leerlingen moeten uitleggen die intussen écht geloven dat alles via twitter of andere zogenaamd 'sociale media' – wie heeft in karlsnaam deze misleidende term bedacht – kan worden opgeslagen en mentaal verwerkt. Tegelijk denk je tijdens die eerste lezing: hier zit heel wat in. Maar je kunt er niet meteen de vinger op leggen wàt er precies in zit. Daarvoor is de tekst te complex, met allerlei tentakels naar oosterse en westerse, bijbelse en schaamteloos heidense, in elk geval ergens voor ons relevante mythologieën. Daar kom ik verderop nog op terug."
Aan het woord is Ludo Abicht, die de inleiding hield bij de nieuwe bundel van Annemarie Estor. De gehele tekst staat op de website OoteOote.
bron
- de Contrabas: Budé en Laschen 31 Jan 2012
Boven tegen de hemel zoals vroeger vaak de in-
gevroren strepen, ver daarachter het geluid.
De aarde, laatste 'Gegend der Geschlagenheit', blauw-
grijs vastgekoekt bed van as waaruit nu
één voor één, af en toe samengebundeld door de wind
restjes veren stijgen, zich verzamelen boven
een haastig verlaten van voeten in het ijzer, in het
boek van de lava, ongelezen, drijven sporen voorbij.Frans Budé vertaalde een mooi gedicht van Gregor Laschen. De hele tekst is te lezen op FB's weblog.
bron
- de Contrabas: Doeschka Meijsing overleden 31 Jan 2012
"In haar woonplaats Amsterdam is gisteravond de schrijfster Doeschka Meijsing overleden. Zij werd vierenzestig jaar. Meijsing stierf aan de complicaties van een zware operatie. (...) Annette Portegies, directeur/uitgever Querido: 'Doeschka Meijsing verborg een diepe kwetsbaarheid achter een superieure vorm van ironie, zowel in haar werk als in haar leven. Weerspannig als ze was, was ze een vrouw om van te houden. Querido rouwt om de dood van Doeschka, die bijna veertig jaar aan de uitgeverij verbonden was. De Nederlandse literatuur verliest opnieuw een auteur van wereldformaat." Meer op de website van Querido.
Meijsing was vooral bekend door haar romans. Toch was ze ook dichter. Ze publiceerde - zover ons bekend - één dichtbundel: Paard Heer Mantel. Gedichten (An Dekker, Amsterdam, 1986). Twee gedichten uit die bundel belandden in bloemlezingen; 'Daarachter' in De Komrij (blz. 1675) en 'Paard Heer Mantel' in De Spiegel (blz 494).
Vorig jaar was zij te gast in Benali Boekt. De uitzending is nog te bekijken:
Bekijk de video in andere formaten.bron
- de Contrabas: Ivo Michiels wint prijs 31 Jan 2012
[Op basis van een persbericht] The America Awards, for a lifetime contribution to international writing, awarded by the Contemporary Arts Educational Project, Inc. (in loving memory of Anna Fahrni) is dit jaar toegekend aan Ivo Michiels (1923). Als ik deze link volg, zie ik dat hij in een rij internationaal bekende winnaars staat.
bron
- de Contrabas: Over Delphine Lecompte, Charles Bukowski - en over Jackson Pollock 31 Jan 2012
door Koenraad Goudeseune; bij het verschijnen van Blinde gedichten van Delphine Lecompte
De vrouwelijke Charles Bukowski. Wie? Charles Bukowski. Je hebt mensen die er hun neus voor ophalen, maar wel en oprecht veel van W.H. Auden en T.S. Eliot houden. Charles Bukowski, op zijn beurt, hield niet van auteurs als Saul Bellow, Vladimir Nabokov. Maar wat het bloed achter zijn ogen werkelijk deed zieden, was de stoet intellectuele windbuilen, de cultureel correct denkende poortwachtertjes, de filosofische nuance zoekende operetteprofessoren en would-be-schrijvers die in zijn dagen het mooie weer maakten en waarvan de tijd en het stof geen letter zou sparen. De lijst van schrijvers waarvan hij niét hield is eindeloos en, nou ja, je kunt dat ook wel een beetje jammer vinden. Het betekent op zijn minst dat hij heel wat tijd heeft liggen verschijten met het doorgronden van al die inwisselbare oeuvres. Van wie hij wel hield: John Fante.
Wie houdt er niet van Charles Bukowski? Benno Barnard, bijvoorbeeld. Je meent het? Ja, heeft ie me zelf toevertrouwd, en ik vermoed dat ook iemand als Paul Demets niet veel met Bukowski op heeft. Het kan aan mij liggen, maar het is alsof je niet én van Jos de Haes én van Charles Bukowski kunt houden. Het is alsof die poetica's elkaar beledigen en het leven onmogelijk maken. Nu, in ieder geval beledigt Charles Bukowski. Heerlijk gênant soms, net zoals Herman Brusselmans. Kijk, als je iemand als Philip Roth vreselijk niks vindt, dan ben je niet goed bij je hoofd natuurlijk.
En in het grote oeuvre van Philip Roth is het vruchteloos zoeken naar de naam Charles Bukowski? Ik heb het daarop nog niet liggen scannen, hé, maar dat zal dan wel klasse heten. Enfin, wat ik wou zeggen: om over de gedichten van Delphine Lecompte iets te zeggen, lijkt het alsof ik mij eerst moet uitspreken over de poëtica van Charles Bukowski. Anders heb ik geen gezag van spreken. Die poëtica staat me geweldig aan. Ik zal proberen uit te leggen waarom. Die houding is er op gebeten de menselijke soort te schaden en haar in het gezicht uit te lachen. Van die houding zeg ik: wat een geweldige houding is dat om zo tegenover de wereld te staan!
Dat doet porno toch ook? Ja, maar je kunt je aan porno niet overgeven zonder dat je je daarbij als in een nauwe, vieze cabine voelt waar je in de gleuf van een automaat muntstukjes en briefjes van vijf euro propt; op kantoor ken ik niemand die tijdens de werkuren op zijn gemak naar porno kijkt, maar stop hem een boek van pakweg Rabelais of L.P. Boon toe en hij zal er geen graten in zien dat zelfs in zijn CV verborgen te houden. Dus is er bij literatuur die vanuit die anti-houding spreekt meer aan de hand en is er bij nadere beschouwing helemaal geen bruggetje tussen porno en het werk van Charles Bukowski.
Ik geef een ander voorbeeld. Als je, zoals ik, een anonieme alcoholieker bent en je leest enkele bladzijden Bukowski, dan heb je het weer vlaggen. Daar kun je gif op innemen. Serieus? Ik kan niet ernstiger zijn, ik lees sinds ik gestopt ben met drinken geen bladzijde Bukowski meer, en ik weet goed waarom. Al houd ik, misschien meer nog dan vroeger, van zijn poëtica. Je leest er de macho-taal van Flaubert en Céline in, het absolute misogene durven. Filosofen van dezelfde gezindte vind je in Schopenhauer en Cioran. Je leest er het krankzinnig bezig zijn in de eigen ziel te spellen, erg des dichters allemaal, het is er bij gratie van de megalomanie, ik bedoel daar niks verkeerd mee, nou ja, je zou van Eddy Merkx kunnen zeggen dat hij op zijn manier een megalomaan renner was omdat hij iedere wedstrijd zo ernstig nam en bijna altijd won. Een renner met de hamer, zo je wilt. Maar daar toeter je in de oren van een sportliefhebber geen vloek mee, integendeel.
En alles wat ik hier over Charles Bukowski te berde breng, geldt ook voor Delphine Lecompte. De vrouwelijke Charles Bukowski. Maar eerst dit. Voor wie er lang genoeg bij stil staat, is er iets vreemd met die kwalificatie. Wanneer men een kwalificatie van enig schrijver wil geven, poogt men gewoonlijk hem in te delen bij een groep, om hem alsdan met andere vertegenwoordigers van die groep te vergelijken. Eerder werd een schrijver als J.M.H. Berckmans de Vlaamse Bukowski genoemd en wereldwijd kun je een grote bibliotheek samenstellen met schrijvers die de nieuwe Bukowski werden genoemd en waarvan de tijd en het stof geen letter spaart, net omdat Charles Bukowski eigenlijk alleen maar met zichzelf vergelijkbaar is. Wat J.M.H. Berckmans betreft, die man heeft zich inderdaad doodgezopen, maar daar houdt het ook bij op. Heeft Delphine Lecompte iets met J.M.H Berckmans gemeen? Ik mag hopen van niet. Maar eigenlijk heeft ze dat wel. En dat maakt het ook zo verontrustend.
Niet alleen met Delphine Lecompte zelf is er iets vreemd, maar daarover gaat mijn beschouwing niet, ik wil het louter over haar gedichten hebben. Er is iets vreemd met de idee van een vrouwelijke Bukowski. Omdat die hele Bukowskiaanse poëtica er nu precies is bij gratie van het vrouwelijke. Het anti-vrouwelijke. Kort gezegd komt het allemaal hier op neer: vrouw en man benoemen liefde anders. Geven er een andere inhoud aan. En de hele ellende is dat de man, wil hij liefde krijgen, zichzelf en zijn denken moet opofferen. Hij moet zover komen dat hij van het vrouwelijke liegen (de wereld is mooi en deugdelijk en ze houdt op dezelfde achterlijke manier van jou) zeggen kan dat het helemaal geen leugen is en het tegenovergestelde van achterlijk. Ook al valt alles rond hem in duigen en voelt hij zijn eigen lichaam meer en meer in mekaar zakken, hij moet blijven geloven dat de wereld mooi en deugdelijk is en dat zijn geliefde van hem houdt, helemaal, onvoorwaardelijk. Hij moet zodanig in dat moeras van vrouwelijkheid afdalen dat hij geen steek meer voor zijn eigen ogen ziet, hij moet zonodig met de vrouw fuseren, en daartoe moet hij zijn persoonlijkheid vaarwel zeggen, zijn leven opgeven.
Allemaal blinde wil, allemaal niks aan te doen. Behalve schrijven.
Twee bewegingen, als bij touwtrekken, zo is dat schrijven. En dankzij dat schrijven, komt hij erachter dat de wereld nog veel minder deugt, dat het nog veel en veel erger is allemaal, kortom: de persoonlijkheid die hij, teneinde liefde te krijgen van een vrouw, had moeten opgeven, wordt erdoor vergroot en als hij er, door vrouwen, om wordt bewonderd, dan is ook dat verschrikkelijk fout en loopt ook dat gegarandeerd slecht af, want is in feite louter een zoveelste uitvergroting van het menselijk tekort.
Ik, als je het aan mij vraagt, zou Delphine Lecompte eerder een vrouwelijke Jackson Pollock noemen en dat zal ik straks ook doen, het is vandaag niet voor niks zijn honderdste geboortedag en ze heeft het zelf ergers over een uit de hand gelopen Pollock. Volg je nog? Blijf nou maar even bij Bukowski en de vrouwelijke Bukowski waarvan je het vreemd vindt, of waarvan je er achter wil komen waarom zij, Delphine, er naar wordt genoemd. Goed, ik bedoel: een dergelijke poëtica, uitgedragen door een vrouw, kan haast niet anders dan in conflict zijn met het eigen wezen en voortspruiten uit een disharmonieuze zelfbeleving. En daar staan die gedichten dan ook bol van, vaak erg schrijnend, of liever: ik onderstreepte bij een eerste lezing net die zinnen, die oprispingen met een alcoholstift. Dat is tussen ons gezegd en gezwegen de enige alcohol die ik nog tot mij neem. Lul niet zo.
In het gedicht 'Mijn moeder poseert onbevreesd naast gedrochtelijke kroppen' schrijft Delphine Lecompte: 'Ze wil weten wat ik geworden ben / Een beroep? Een neurose? Een incest oogluikend toestaande moeder? Een fierheid? Een misdaad? Een uit verveling fretten folterende notarisvrouw?' Zij, Delphine, is in een ander gedicht 'anorectische dichteressen'. Ik weet niet of Delphine anorectisch is en dat doet er ook niet toe, maar ze kan er in ieder geval voor doorgaan, ze is in ieder geval niet mollig. Als zestienjarige had ik een tijdlang een liefje dat griezelig mager was en mijn vrienden noemden haar 'stok'. Welnu, dat is een woord dat haar allerminst opvrolijkt, schrijft ze in het gedicht 'Ik zoek naar bestemmingen voor mijn vrolijkheid'. Welke woorden vrolijken haar wél op? Hond, god, seks, ijs / Soms vlees en oog / Nooit hoorn of vuur / en nog minder vaak dan nooit stok.' Ergens anders luidt het: 'Mijn zevenjarig geitenlijfje klopt.' Haar huid, heet het in het gedicht 'Opgeruimd staat ontmoedigend kil', is ziek geboren en wat verder blijft de vraag waarom ze zichzelf uithongert met groot technisch vernuft bij wijze van spreken ongevraagd. Over een meisje en haar opties dit: 'Elk meisje moet beslissen wat ze wordt / voor het te laat is / en ze ten prooi valt aan atheïstische burgerlijkheid / of nomadische Aldizakken-zeulende hopeloosheid.'
Geen van beide invullingen biedt veel mogelijkheden of soelaas. Wie er zich bij neerlegt zo te moeten worden, zet ik in mijn vitrine, driekwart van de tijd sta ik daar dus zelf, als ik niet geworden ben wat ik in mijn gedichten ben. 'Zonder mijn lijf ziet mijn pyjama er niet belachelijk uit.' En in 'De middag ontvreemdt mijn prikkelende plannen' schrijft ze: 'Mijn benen vernijnige speldjes / Om de voodoopop van mijn moeder op te porren.' Dat komt dus ook niet uit de Bergrede van Jezus Christus. En: 'mijn borsten hardly there'. En: 'Toch voel ik mij onnozel / Alsof ik de vierde ben geworden in een jutezakloopwedstrijd.' En: Ik word getekend door de zonderlinge zwembadopzichter / Wat een gedrocht / Wanneer ik in de spiegel kijk zie ik trots'. Het is, om haar woorden te gebruiken: bittere folk.
Moet je niet tot een overzicht komen in je stuk over Blinde gedichten van Delphine Lecompte? Ja, en daar had ik nou Jackson Pollock graag bij. De vrouwelijke Jackson Pollock, veel liever noem ik haar aldus. Onlangs hoorde ik op de radio een wiskundige over de schilderijen van Pollock beweren dat ze geniaal zijn omdat de chaotische kleuroppervlakken in al hun vormwaanzin toch aan een patroon beantwoorden, een patroon waaraan we nog slechts mentaal kunnen worden herinnerd, een patroon dat Pollock, haast buiten zijn weten om, met een aan wiskunde grenzende exactheid in zijn werk tentoonspreidt.
Fractaal, fractale eigenschappen, zo heet dat geloof ik. Hij, die professor, vergeleek het in ieder geval met een bloemkool. Vergroot een klein stukje bloemkool uit en en je krijgt meteen een nieuwe bloemkool, qua vorm en (omdat het om een bloemkool gaat) qua inhoud. Ieder deeltje lijkt op het geheel, is bonsaibloemkool zo je wilt. Daartoe, volgens de professor, is er een onder- of achterliggend patroon voor nodig, een soort meetkundig net dat je ook over een stad, een bos, een landschap, een lijn kan gooien en aan de hand waarvan je de ingewikkeldheid en de volheid meetkundig kunt vaststellen. De fractale eigenschappen van een lijn bijvoorbeeld zijn bepaald arm te noemen in vergelijking met die van een boom waarvan iedere tak, ieder twijgje op zichzelf een nieuwe boom vormt, net zoals iedere fractie van een lijn een nieuwe lijn is.
Nou hebben ze dat dus ook met het werk van Pollock gedaan en daaruit blijkt nu zonneklaar dat diens fractatie geniaal overeenkomt met wat je van de natuur en haar manier van zijn het opperste zou kunnen noemen en waarvan het uitgegooide meetkundig net mooi illustreert dat alle parameters maximaal geactiveerd worden. Hoewel dat patroon de bloemkool schept in wat de bloemkool tenslotte is, is het als een soort god overal aanwezig, maar nergens zichtbaar. En dat mentale zien van wat, hoe goed we ook kijken, onzichtbaar blijft, ontroert ons. Is grote kunst.
Gooi zo'n net uit over de muziek van Bach en je krijgt een kathedraal en duizende gelijkaardige bouwmeesters die Bach allemaal in zijn eentje is. Gooi dat net uit over het overvloedige dichtwerk van Guido Gezelle en je krijgt iets gelijkaardigs. Ik hoor je al komen. Wat heeft dat allemaal te maken met de gedichten van Delphine Lecompte? De bundel bevat een goeie honderd gedichten. De bundel is weliswaar opgedeeld in vier blokken, maar wat het ene blok nou net van het andere doet verschillen, behalve in de afzonderlijke gedichten, is me een raadsel en althans voor mijn leesplezier onbelangrijk. Dit fragmentje is een wereld op zich: 'vandaag ben ik vastberaden / Om een gedicht te schrijven dat / Niet met 'IK" begint / Een gedicht zonder oude kruisboogschutter / Zonder gevilde haas, zonder kleptomanie, / Met komma's en een loodgieter die zich van buis vergist'. Of dit juweeltje: 'Het is een rode tulp /ze ziet er preuts uit / alsof ze met een te kort rokje in een tandartszetel zit.' Ieder gedicht van Delphine Lecompte is meteen de hele bundel, haar hele oeuvre, je kunt het overal openslaan, je kunt het van achter naar voor lezen, elk gedicht bevat haar hele poëtica. Ontwikkeling heeft ze niet nodig, ze is al wijs genoeg van zichzelf.
Dit stuk is niet van de hand van Delphine Lecompte natuurlijk, maar ik geloof graag dat het dat had kunnen zijn. En daarmee sluit ik me aan bij wat door critucus Paul Demets eens 'een appendix' werd genoemd,- een beschouwing die in het verlengde ligt van het te bespreken werk, in deze de gedichten van Delphine Lecompte, en die tot doel heeft de intrensieke waarde van dat dichterschap te illustreren en waarin dus hoofdzakelijk goedkeurend wordt geciteerd. Spreken dus als vanuit eenzelfde stronk, was, is mijn betrachting. Het is erg onorthodox in een poeziebeschouwing die zich nu net buigt over anti-literatuur. Het vloekt eigenlijk tegen het genre.
Net zoals Charles Bukowski nooit in de buurt is gekomen van wat je een essay zou kunnen noemen (Hugo Claus overigens ook niet), net zomin zie ik Delphine Lecompte een beschouwend stuk schrijven, en al helemaal niet over haar eigen poëzie. Dat moet dan maar worden gedaan door collega's die haar bewonderen en in haar een grote dichteres zien. Door collega's die houden van dat unieke en onnavolgbare kunnen van Delphine om van binnenuit het absurde, grillige, onmogelijke, onbegrijpelijke te spreken, het niet alleen meedeelbaar te maken, maar dat ook nog eens kraakhelder te doen, en niet a rato van halfjaarlijks èèn miezerig gedichtje, maar dagdagelijks, van kindsbeen af.
Door collega's die ervan doordrongen zijn dat er heel veel humor nodig is om iets ernstigs te zeggen en die een voordracht van Delphine niet louter zien als een avondje lachen. Toen ik voor het eerst gedichten van Delphine Lecompte las, had ik het gevoel alsof ze er altijd al was geweest. Als een vaste ster, steunend op niks behalve zichzelf. Ze bracht me met haar onstuitbare grilligheid ('kaasgefilmde tong') naar mijn eigen jeugd, naar mijn eigen obsessie met van dieren en objecten de verborgen, verontrustende, absurde mededelingen waaraan de rede, naarmate ik ouder werd, geen touw meer vast kon knopen en dat eigenlijk nooit had gedaan, maar die niettemin hun geldigheid blijvend demonstreerden in de absurditeit die het leven nu eenmaal is.
Daarbij helpt, misschien af en toe net iets te gratuit, de waaier aan exquize woorden en atonale gelijkstellingen: plastic sherriffsterren, kiwisorteerder, fopartikelenwinkel, lijmfabrikanten, dove lommerdhouders, sponzenverkopers, tondeldozen, geweien, motten. Maar je vergeeft haar die soort tics makkelijk. Wie zich werkelijk verdiept in de levens van hen die op deze aarde iets gepresteerd hebben, wordt telkens getroffen door het verschijnsel dat de eigenlijke kracht van die mensen een gebrek is geweest dat tot een kwaliteit werd omgebogen. Net zo bij Delphine Lecompte.
© Koenraad Goudeseune
bron
- de Contrabas: Weg bij (wetenschappelijke) uitgevers? 30 Jan 2012
Marc van Oostendorp denkt in zijn dagelijkse column na over de manier waarop wetenschappelijke teksten anders, buiten bepaalde uitgevers om, kunnen worden uitgegeven. Blijkbaar is er behoefte aan een minder knellende band met bijvoorbeeld Elsevier, want "(...) Er is bijvoorbeeld een website thecostofknowledge opgericht, waar op dit moment bijna 1500 wetenschappers hebben verklaard dat ze niet langer bij Elsevier publiceren. Daar zit slechts een handjevol taalkundigen bij en voor zover ik kan zien geen enkele literatuurwetenschapper."
Van Oostendorp ziet wel licht, aan het einde van de tunnel: "Ook mijn handtekening staat er niet, want ik zie een betere oplossing: weglopen bij die uitgevers. Voor onszelf beginnen. Neerlandistiek is tien jaar geleden begonnen. Dat was misschien te vroeg. Het verdient een nieuwe kans; ik ga me daarvoor inzetten."
Via het Cultureel Persbureau kwam ik op het spoor van een ander artikel, waarin ook wordt nagedacht over het al dan niet zelf uitgeven van boeken; het is geschreven door Louis Altucher en na te lezen op de website thecrunch.:
"I’ve published eight books in the past seven years, five with traditional publishers (Wiley, Penguin, HarperCollins), one comic book, and the last two I’ve self-published. In this post I give the specific details of all of my sales numbers and advances with the traditional publishers. Although the jury is still out on my self-published books, “How to be the Luckiest Man Alive” and I Was Blind But Now I See. I can tell you these two have already sold more than my five books with traditional publishers, combined."
Klik vooral ook even door naar de artikels onder de links in het bovenstaande citaat.
bron
- de Contrabas: Recensie: Fred Papenhove 30 Jan 2012
Door Willem Thies
Fred Papenhove (1956) werkte onder andere als dienstplichtig marinier, boekverkoper, privé- chauffeur, verslaggever bij Het Haags Straatnieuws en de daklozenkrant. Voor zijn derde bundel, De hemel is vol zwaluwen, werd hem de Halewijn- literatuurprijs toegekend. Onlangs verscheen, bij Uitgeverij Van Gennep, diens opvolger: Zweep je beste been voor.
Zweep je beste been voor is een verzameling, meest korte (ten hoogste de lengte van een alinea in een roman), prozagedichten, consequent geschreven vanuit het perspectief van een kind (aangeduid als ‘je’), een opgroeiende jongen van een jaar of tien.
De jongen is in wezen een eenling: enig kind, zich solitair gedragend en opstellend, al heeft hij een enkele makker en zijn er buurjongens met wie hij speelt en (schijn)strijdt.
Het element strijd (of zelfs oorlog) doet zich al direct in het openingsgedicht gelden. Dit gedicht, een scène over een dag aan zee met de ouders, eindigt met de zin (daar het prozagedichten betreft zal ik eerder over ‘zinnen’ dan ‘regels’ spreken):
Je ruikt om je heen, er zit zout in de lucht, je wenst een bombardement boven zee. (p. 9)
De jongen wil actie, avontuur, spanning, spektakel. De strijder in hem staat op scherp – hij is alert, de zintuigen zijn gespitst, als was hij een dier.
Soms is de strijd betrekkelijk onschuldig, en gaat het meer om het spel. Maar ook dan is er sprake van competitiedrang, felheid en fanatisme. Het gaat tenslotte om de overwinning:
Op de stoep knikker je je een slag in de rondte, omringd door woede. (p. 10)
Ook kan de strijd zich ‘veilig’ in de fantasie afspelen:
’s Winters heb je zin in ridderverhalen. Tijdens het lezen rekken ze je uit, vooral de avonturen van de Onoverwinnelijke Ridder. Met je rechterhand trek je als eerste je wapen, je onttrekt je aan de gebeurtenissen van alledag. (p. 13)
Maar in Zweep je beste been voor wordt geen idylle geschetst, de lezer wordt geen valse romantiek voorgespiegeld, geen ‘plat’ jeugdsentiment. De werkelijkheid in deze bundel is vaak rauw en hard.
Uit onmacht, na een als afwijzing gevoeld negeren door een meisje uit dezelfde straat, wordt dit meisje venijnig getrapt:
Je schopt met de neus van je rechterschoen tegen haar schenen, huilend van de pijn ligt ze als een kleuter op de grond. De aanval zal ooit lonen. (p. 25)
(Ook) in deze situatie weet de jongen zich niet anders te uiten, niet anders te reageren op de gevoelde ‘nederlaag’, dan de strijd aan te gaan. Niet zijn trots slikken, niet het verlies aanvaarden (en de witte vlag hijsen), het verdriet (passief) toelaten – maar daadkrachtig optreden, agressie, de aanval is de enige ‘remedie’.
Papenhoves prozagedichten doen denken aan die van Tjitske Jansen, in Koerikoeloem, eveneens geschreven vanuit het perspectief van een kind – met dit verschil: waar Jansens poëzie ‘naïef’ te noemen valt, is die van Papenhove eerder ‘rauw’, misschien het mannelijk equivalent van ‘naïef’.
Voorzichtig vink je de omgeving af, blaaspijp en kiezelsteentjes binnen handbereik. Het doelwit werpt stenen naar eenden, je beschutting is goed, hij kan je niet raden. Al dieper haal je adem, richt op een van zijn oren, plots blaas je de longen uit je lijf, de tegenstander reageert. Gehuil en gebrul vormen een schitterende melodie, eenden kwaken, bloed stroomt over de nek van de vijand. (p. 27)
Niet alleen is dit een nostalgisch feest van herkenning (zij het dat ik als kind wat minder onbesuisd en bruut te werk ging; ja, ook mijn speelkameraden en ik hadden een blaasroer, een stuk plastic buis, vaak deels ingetapet, maar daarmee vuurden we papieren pijltjes af, en we mikten zelden op de oren – maar het ‘soldaatje’ of ‘oorlogje’ spelen is iets wat jongens graag doen), hier herkennen we al de marinier die Papenhove later zou worden (al kun je de verteller, het lyrisch ‘je’, natuurlijk niet eenvoudigweg gelijkstellen aan de persoon Fred Papenhove, ik denk dat we mogen aannemen dat deze prozagedichten grotendeels gebaseerd zijn op authentieke herinneringen, weliswaar ‘bewerkt’, deels gefictionaliseerd en ‘verdicht’).
‘Tegenstander’ is overigens niet enkel een begrip waarmee men de opponent in het spel aanduidt, maar ook de eufemistische term die militairen hanteren voor ‘de vijand’.
Het kind kent vele benamingen voor opponenten: naast ‘de vijand’ en ‘de tegenstander’ is er sprake van ‘tegensprekers’ en ‘kleurloze kinderen’ of ‘kleurlozen’; waarschijnlijk worden de laatste twee benamingen in letterlijke zin gebruikt (zoals je zou verwachten bij een kind van pakweg tien jaar oud): de jongen woont allicht in een ‘zwarte buurt’ en neemt het met zijn donkere buurt- en bondgenoten op tegen de blanke jochies. Maar ook klinkt erin door: ‘saai’, ‘karakterloos’ – al lijkt mij dat deze betekenis er eerder aan toegekend zou worden door een (bijna)volwassene. Papenhove dekt zich echter in tegen een dergelijke dreiging van een perspectieffout (door het hanteren van een te ‘oud’ idioom) door het motto voor in de bundel: ‘Sommige mensen zeggen dat ik vroegwijs ben. Dat zeggen ze vooral omdat ze me te klein vinden voor moeilijke woorden.’ (uit: In het hol van de leeuw van Juan Pablo Villalobos).
De grootste vijanden zijn natuurlijk niet de kinderen van ‘het andere kamp’, maar de volwassenen:
Ieder kind groeit, je trekt je schouderbladen als twee soepele scharnieren vastberaden naar achteren: hieraan meedoen wil je niet, je wordt geen volwassene! Dit toekomstideaal schrijf je op in je gedachten. Wanneer je dit doorgeeft aan je ouders, plooien hun gezichten zich tot een valse lach. (p. 38)
Het is een complot: elk kind wordt ten slotte ‘overgenomen’ door de volwassenen, wordt tot ‘een van de hunnen’ gemaakt, geïnfecteerd door het volwassendomvirus. De ouders, álle ‘ouderen’, zijn body snatchers, die vroeg of laat bezit nemen van elk kind.
De enige volwassene die het kind dierbaar is, is zijn oma – maar juist omdat zij, kennelijk, iets ‘magisch’ heeft en in niets aan de ‘ouderen’ doet denken:
Laten we op ’t ochtendlicht wachten is je oma’s mooiste fluistering. Je voelt je oppermachtig als zij je bed omringt. Bij het mondzoenen ruik je de geur van versgemaaid gras; langzaam verdwijnt de dag in een gitzwarte nacht. Voor je gevoel ben je niet langer blootgesteld aan grote mensen, er daalt iets vredigs neer. (p. 17)
Die laatste zin is betekenisvol: de kindertijd staat in het teken van onophoudelijke strijd, behalve als de jongen zich niet langer voelt ‘blootgesteld aan grote mensen’; dan daalt er juist ‘iets vredigs’ (cursivering van mij, WT) neer.
Ontroerend is de reactie van de jongen wanneer deze oma is gestorven. Zelfs, of juist, op dit ‘ultieme’ moment, geconfronteerd met de dood van een dierbare, weigert de jongen de nederlaag te aanvaarden: geen doffe berusting, of zelfs maar verdriet, laat hij de boventoon voeren – maar daadkracht, opstandigheid, vechtlust. Hij wil de strijd aanbinden met, ‘de oorlog verklaren’ aan, ‘het kwaad’, de vijand, de tegenstander, in dit geval: de dood.
(De dood, die op een dieper niveau wordt geassocieerd met het volwassendom: ‘Volwassenen onderbreken je verhaal: het is stilte wat ze willen.’ (p. 20) Jongens zijn immers ‘activistisch’, roekeloos en luidruchtig, de dood roerloos en geruisloos. De dood is de uiterste consequentie van het volwassendom: passiviteit, tamheid, timiditeit, zwijgen.)
Zo gaan in Zweep je beste been voor onbevangenheid, rauwheid, leed, strijdvaardigheid, een ‘activistische geest’ en het geloof in magie (en daarmee de maakbaarheid van de wereld) hand in hand. Als je oma dood is, tik je haar tot leven, wek je haar met een klap.
Geloofwaardig is hoe het kind op uiterst lucide wijze over gruwelijke, morbide zaken kan fantaseren – want zo zíjn kinderen van de leeftijd vlak voor de puberteit, weet ik uit eigen ervaring. Ze kunnen met de wreedste en huiveringwekkendste beelden en taferelen op de proppen komen, maar op een of andere wijze heeft het voor hen niet de zware of duistere lading die volwassenen daaraan zouden toekennen. Het heeft bij kinderen altijd iets... speels, iets lichts, iets spannends ook, zonder dat er negativiteit aan kleeft.
Mensen wrijven zonnebrand op hun karkas. (p. 9)
Als logé ga je naar familie in een dorp. Nadat je bent uitgezwaaid beginnen je mooiste uren, zachtjes neem je plaats in de treincoupé en fantaseert rammelende skeletten om je heen. (p. 24)
Papenhove maakt gebruik van rauwe, rake beelden:
(...) wanneer je het klimdoel bereikt hebt komt de hemel zo dichtbij alsof je er met je hoofd tegen aan kunt koppen (...) (p. 18)
[Over een tante en met name haar kinderen, de notoir saaie neefjes en nichtjes van de jongen:]
Je wenst allen een kapotte mond toe. (p. 24)
[Over zijn ouders, die kippenpoten of ander gedierte tot op het bot afkluiven:]
Hun adem ruikt sterker dan de vuilnisemmer. (p. 29)
(...) de kou legt na enige tijd je vingers stil. (p. 33)
Slechts een enkele keer is een metafoor ‘scheef’. ‘Aan de voet van het raam blik je terug.’ (p. 10) Een zuil kan een voet hebben, een wijnglas, een berg, een boom. Maar een raam níet. Een voet staat tot een lichaam (zuil, wijnglas, enzovoort) als een (onder)deel tot het geheel. Hier wordt bedoeld: ‘onder aan het raam’. ‘Aan de voet van het huis’ of ‘Aan de voet van het gebouw’ zou mogelijk zijn. ‘Aan de voet van het raam’ is het equivalent van ‘aan de voet van het oog’.
Zweep je beste been voor is een verzameling prozagedichten, waarin Papenhove ons de wereld laat zien door de ogen van een tienjarige jongen – hij doet dat op overtuigende wijze. Deze wereld staat in het teken van de strijd, op alle fronten: in de fantasie, in het spel, en ‘menens’. De grote vijand zijn de volwassenen, voorafschaduwing van de dood. Deze gedichten zijn, vanwege het grondthema van de strijd, ook buitengewoon zintuiglijk: de krijger moet immers voortdurend alert en opmerkzaam zijn, op zijn hoede, al is hij nog maar klein.
© Willem Thies
Zweep je beste been voor – Fred Papenhove; Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam, 2011
Ook op deze site: het eerste gedicht uit deze bundel, besproken voor de rubriek 'Het eerste gedicht'.
bron
- de Contrabas: De (hardwerkende) Vlaming 30 Jan 2012
Gisteren was het WK veldrijden, een sport die zich voornamelijk afspeelt in de geest van de koersliefhebbende Vlaming. Vandaag schrijft Ann de Craemer een column voor M, de nieuwe cultuurbijlage van De Morgen waarin ze een aspect van de aanbidding die veldrijders en wielrenners ten deel valt analyseert aan de hand van een mythe, die van de "(Hardwerkende) Vlaming".
"De verkiezing tot 'flandrien van het jaar' is een aanfluiting van wat de flandriens naar verluidt waren: onbehouwen jongens voor wie de fiets een redmiddel uit de armoede was. Ze demarreerden tot ze neervielen en koersten meer met de buik dan met het verstand, wat alleen al de oortjes in de hedendaagse wielrennerij onmogelijk hebben gemaakt. Toch duiken er overal flandriens op, en vast is het geen toeval dat de mythe van de flandrien herleeft op het moment dat ook de mythe van 'hardwerkende Vlaming' weer springlevend is."
bron
- de Contrabas: Brieven Burroughs komen uit 29 Jan 2012
Op de website van The Paris Review zijn een paar brieven te lezen van William Burroughs. Op 7 februari zijn die te vinden in Rub Out the Words: The Letters of William S. Burroughs 1959-1974. De voorproefjes maken in elk geval nieuwsgierig naar wat hij allemaal aan wie te melden heeft. Aan zijn zoon schrijft hij bijvoorbeeld in een merkwaardige mengeling van poëticaal proza en vaderlijke genegenheid:
"A game I play is to type out phrases from Rimbaud or any poet I fancy. Then I cut into sections. Rearrange putting section four with section one and section two with section three and select a new arrangement.Try it some time with Rimbaud or any writing. Enclose picture of my self taken in Paris by Charles Henri Ford a writer of novels and films."
bron
- de Contrabas: Het eerste gedicht (48): Anton Ent 29 Jan 2012
Anton Ent publiceerde zo'n twintig dichtbundels, onder zijn dichtersnaam (hij heet in het echt Henk van der Ent) en onder een ander pseudoniem: Marieke Jonkman. Hij bereikte nooit de top van de Parnassus, maar dat is geen diskwalificatie. Zijn werk lijkt (op dat van Marieke Jonkman na) niet geschikt voor een "breed publiek"; het is een in een verzorgde, niet spectaculaire maar wel (met de excuses voor het recensentencliché) doordringende stijl opgetrokken oeuvre, dat Ent nu al jaren uitbouwt.
Toch zou ik bundels als De hoed van Kierkegaard en Feestgangers best verplicht op de literatuurlijst van een middelbare school willen zetten, hoewel ik daar niet over ga, over die literatuurlijst. Gelukkig maar. Hoe het ook zij. Het eerste gedicht uit zijn nieuwe bundel, Binnen de wildroosters, verschenen bij Uitgeverij kleine Uil:
Keuze
Kies je voor kou van takken en stammen
rood- en zwartwild, durf je versterving aan?
Overschrijd je het wildrooster als een man
die opgaat in schoonheid en eenheid?Het zandpad leidt niet naar vervoering
en wissels lopen vast in struikgewas
Tussen hemel en aarde vlamt
de eekhoorn. Verder geen vuurWaarschijnlijk ga ik in de eerste twee verzen ergens een verwijzing missen... Ik merk dat die regels almaar geheimzinniger worden, hoe vaker ik ze lees. Bevatten ze een bijbelplaats? Verwijzen ze naar een psalm, naar een uitspraak? Ik weet het niet. Wat ik er in lees is dit, of beter, deze vraag, die de dichter zichzelf stelt: kies je voor een leven als herder, met een zekere (materiële) armoede als bijvangst?
De manier waarop Ent de "kou van takken en stammen" in een zinsdeel samenbrengt, waarna het enjambement de zin op zijn kop zet, is erg fraai en een illustratie van zijn technisch vernuft. Misschien is het een beetje té, maar ik heb er toch een paar minuten over gepeinsd en pas daarná had ik hem helemaal door.
De herder is niet (of niet alleen) een bijbelse herder, hij weet al van het bestaan van wildroosters, een vinding die meer van deze tijd is, dan van de tijd dat de mensenvisser actief was. Het is weer een vraag die de dichter zich stelt. Kies je voor dit, overschrijd je dat... Zul je een man worden die "opgaat in schoonheid en eenheid?"
Word je een herder en zul je in iets "hogers" opgaan: ziehier, we zitten meteen in de christelijke hoek, waar Ent al jaren zijn plek heeft gevonden. De heer is zijn herder, wellicht, maar hij is zélf de herder of de aspirant-herder die zich afvraagt of hij die taak wel naar behoren kan uitvoeren. Na deze twee vragen, waar in het gedicht niet meteen een antwoord op komt, presenteert Ent twee beschrijvende strofes:
Het zandpad leidt niet naar vervoering
en wissels lopen vast in struikgewasHé, misschien is dit toch een antwoord op de vraag in strofe 2? Hoewel "vervoering" weer iets heel anders is dan "schoonheid en eenheid". Al kunnen er schoonheid en eenheid worden ervaring in vervoering, uiteraard. Nee, dit is geen antwoord op de vraag in strofe 2. Hier wordt alle hoop de bodem in getimmerd.
Maar die wissels, wat is er met die wissels? Ik heb het even, ook al mag het niet, opgezocht (tegen de regels van deze rubriek in) en gevonden in een document van Rijkswaterstaat:
"Wissels zijn paadjes die regelmatig door dieren worden belopen. Soms worden ze door één bepaald individu gebruikt, soms door meer individuen van één soort, maar vaak ook door meerdere diersoorten tegelijk. De breedte van een wissel is een aanwijzing voor de gebruikende soorten. Wissels van haas en konijn bijvoorbeeld zijn 10-20 cm breed."
Het loopt allemaal vast, ondanks alle vragen die de dichter zich stelt, of de voornemens die hij maakt, gaat het zandpad niet per se richting het elysium en verdwijnen de dieren (die hij zou kunnen hoeden) in het struikgewas. Alles staat stil. Of loopt dood. Of verdwijnt in het struweel. De dichter staat erbij en kan zich alleen maar afvragen of dit allemaal genoegen biedt. De slotstrofe is niet meteen een uitsmijter die verdere hoop biedt:
Tussen hemel en aarde vlamt
de eekhoorn. Verder geen vuurWie aan de bosrand heeft gewoond, kent het fenomeen. Dat rode beest dat als een vlam door de bomen schiet, 's ochtends vroeg en 's avond tegen zonsondergang. Hij lijkt dan inderdaad even te "vlammen" tussen hemel en aarde. Even. Net als de dichter van 'Keuze', die zich lijkt te willen opmaken voor een herderlijke (poëtisch-herderlijke?) taak, maar daartoe niet in staat is, als door een verlamming getrofen.
"Verder geen vuur" is een zin zonder punt (die inderdaad vooruitwijst naar het volgende gedicht, maar dat valt buiten deze rubriek) die van een tergende berusting is. Of misschien moet ik zeggen dat de berusting die de dichter hier bevangt mij tergt. Niet op een vervelende manier, maar toch. Hier is iemand aan het woord die zich in de eerste twee strofes een aantal onmogelijke vragen stelt, om de antwoorden erop vervolgens in twee strofes te laten wegdrijven.
Of is mijn ergernis anders te duiden? Ben ik, ondanks herhaalde lectuur van het gedicht, niet in staat om de verlamming waar de dichter aan ten prooi is, een verlamming die een weefwerk is van religieuze, psychologische en andere existentiële vragen, te... aanvaarden? Ik kan er niet tegen als iemand zich in zijn eigen web van wildroosters verstrikt / laat verstrikken. Omdat het me aangrijpt.
De dichter die in zes regels dit effect kan bereiken, verdient in elk geval een grotere erkenning dan ik hem met mijn woorden kan geven. De jury's van grote literaire prijzen zouden eens uit hun eh... doppen moeten kijken.
bron
- de Contrabas: Hoever moet een schrijver gaan? 29 Jan 2012
Het Volkskrant Magazine interviewde vorige week Nico Dijkshoorn. Deze week is Robert Vuijsje aan de beurt. Dat is mooi, twee weken achtereen een heuse schrijver (van boeken) in een door veel weekendlezer doorgenomen bijlage. Jammer genoeg "gaan" die interviews niet (of nauwelijks) over de werken van deze auteurs, maar vooral over de persoonlijke levens die zij er op nahouden. Scheidingen, vriendinnen, kinderen, de stem des volks over hun boeken: alles komt aan bod, behalve het vak van de schrijver of de vakmatige kant die het schrijven óók schijnt te hebben (Vuijsje onthult deze week dat je om te schrijven gewoon moet gaan zitten... schrijven).
Op zijn weblog vraagt Rik Zaal zich af: "Hoever moet een schrijver gaan om aandacht te vragen voor zijn werk? (...) Ik moest aan deze gewetensvraag denken toen ik zag dat Naima El Bezaz, de schrijfster van het boekVinexvrouwen, aan het SBS-programma Shownieuws liet weten dat ze was mishandeld door haar huisarts. Dat wil zeggen: zelf was ze te overstuur om voor de camera te verschijnen, dus deed haar zus het woord. Dat Naima’s huisarts haar zevenjarige dochtertje geen antibiotica had willen geven en dat het na de protesten van moeder Naima tot een handgemeen was gekomen en dat Naima bij de politie aangifte had gedaan van mishandeling."
Zaal besluit zijn column nogal somber: "Hadden die een vrouw in de war niet tegen zichzelf in bescherming kunnen nemen? En had haar zus dat ook niet moeten doen? En waar was haar uitgever? Beterschap zou ik zeggen. Voor alle betrokkenen." Wat in het "geval" Bezaz aan de oppervlakte ligt, geldt volgens mij ook voor de grote schrijversinterviews uit het Volkskrant Magazine: "Hoever moet een schrijver gaan om aandacht te vragen voor zijn werk?"
Voordat je het weet wordt het lezen van boeken verplicht gesteld, bij wijze van taakstraf, door de rechter...
bron
- de Contrabas: Poederen met Deelder 28 Jan 2012
"Op 2 februari a.s. debuteert journalist/schrijver Leo Verheul met een opmerkelijke documentaire op het Internationale Filmfestival van Rotterdam. Pablo & Poëzie is het filmische relaas van het bezoek van Jules Deelder aan 's werelds grootste poëziefestival, in het Colombiaanse Medellín. En passant trekken Verheul en de nachtburgemeester van Rotterdam de sporen na van drugsbaas Pablo Escobar. Sander de Vaan spr@k (mooi niet woord, overigens, CB) met de regisseur over Medellín, kutgedichten, wandelende strobalen, blije geiten en nog veel meer." En: "In mei verschijnt het boek Pablo & Poëzie, inclusief dvd van de documentaire, in een co-produktie van Bezige Bij en AW Bruna." Lees door in het Meandermagazine.
bron
- de Contrabas: Mickey Walvisch en J.C. de Bruïne overleden 28 Jan 2012
Aan de lijst van in 2011 overleden dichters moeten nog twee namen worden toegevoegd:
Mickey Walvisch (1941-2011)
J.C. de Bruïne (1923-2011)
Mickey Walvisch (4-1-1941 / Amsterdam, 30-10-2011)
Mirjam (Mickey) Walvisch bracht - zover ons momenteel bekend* - twee bundels uit:
Heksenrecht. Gedichten, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1985
Zo groen als gras. Gedichten, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1988
Op 5 februari 1995 trad ze op in het radioprogramma 'Podium van de Nederlandse lichte muziek', waarbij ze gedichten declameerde en verhaalde over haar zwarte kijk op het leven. De opname is op deze pagina van Beeld en Geluid te bestellen. Gedichten van Mickey Walvisch verschenen in minimaal negen bloemlezingen (o.a. in De Komrij, De Spiegel (ed. 1992) en in De Breukers). Ze is begraven op grafveld De Nieuwe Ooster te Amsterdam.
J.C. de Bruïne (Hilversum, 30-7-1923/Vorden, 8-5-2011)
Johannes Cornelis de Bruïne was dominee en dichter. Hij studeerde theologie in Utrecht. In 1952 werd hij hervormd predikant te Emmer-compascuum. Daarna was hij vlootpredikant (1955), studentenpredikant te Utrecht(1963), gemeentepredikant te Scheveningen (1971) en geestelijk verzorger verbonden aan het Diakonessenhuis te Heemstede (1978). Ds.de Bruïne ging in 1987 met emeritaat. Hij promoveerde in 1974 op het proefschrift Herman Veenhof - een Nederlandse theoloog in de tijd der verlichting.
Dichtbundel: De andere dag, Strengholt, Amsterdam, 1956*
Tot dusverre is werk van hem in één bloemlezing aangetroffen: Stroomgebied, Holland, Amsterdam, 1958 (3de herziene druk).
* De site van de Koninklijke Bibliotheek is tot dinsdag a.s. ontoegankelijk. Daarna hopen we meer over haar oeuvre te berichtenbron
- de Contrabas: Menno Wigman nieuwe stadsdeeldichter Amsterdam-Centrum 28 Jan 2012
Uit het Amsterdamse bericht Het Paroool dat Menno Wigman (1966) tot stadsdeeldichter van Amsterdam-Centrum is benoemd. Hij is hiermee de opvolger van Frank Starik, Mustafa Stitou, Robert Anker en Adriaan Jaeggi. De in 2008 overleden Jaeggi was de eerste Amsterdamse stadsdeeldichter.
Net als bij zijn voorganger Starik geldt de benoeming van Wigman voor twee jaar, zodat hij voldoende ruimte krijgt om zich in zijn functie te profileren. Wigmans officiële mediapartner is Het Parool; die krant zal op regelmatige basis de gedichten van de stadsdeeldichter publiceren. Zijn eerste stadsdeeldichterlijk vers is inmiddels hier te lezen.
Foto: Menno Wigman (c) Bart FM Droog, 2002bron
- de Contrabas: De katers na Gedichtendag 27 Jan 2012
Bij de terugkeer uit Sneek, vrijdagmiddag laat, trof ik thuis een huizenhoge kater aan. Dat kwam goed uit, want daardoor vergat ik de kater in m'n kop. Het beest vroeg: 'hoe was het?'
Ik antwoordde: 'Kennelijk leuk, anders was ik wel eerder van daar teruggekeerd.'
'Ach so', sprak de kat, 'je werd zeker weer zat?'
'Dat denk ik wel. Net als zovelen elders in het land.'
En dus, vanwege de katers, ga ik nu niet op jacht naar nieuws of recensies van Gedichtendaggebeurtenissen die zich buiten Sneek afspeelden. Links naar dat soort berichten - zoals deze, over John Cooper Clarke, Ellen Deckwitz, Daan Doesborgh en Dennis Gaens in Groningen - kunnen geheel interactief hieronder geplaatst worden.bron
- de Contrabas: Over Gundula Schulze Eldowy en Nico Dijkshoorn 27 Jan 2012
"De vraag van Arie Boomsma in DWWD en die van de journaliste in de Volkskrant, of Nooit ziek geweest misschien uit wraak was geboren, leek mij dan ook wat oppervlakkig gesteld. Een dergelijke vraag gaat iets te snel van een vereffening uit: een zoon heeft een nare vader en, is dan de algemene veronderstelling, rekent met hem af in een boek. Maar wat voor afrekening zou dat wezen? De vader, lijdend aan Alzheimer, krijgt de boodschap niet mee, dus als zoon mis je je belangrijkste doel. Waar zou die afrekening dan verder uit kunnen bestaan? Dat de omgeving weet wat voor een man deze vader nu eigenlijk was? Tja, wat heb jij daaraan, jij moet in de optiek van de wraakactie afrekenen met deze vader, en niet je omgeving." Over Gundula Schulze Eldowy en, inderdaad, Nico Dijkshoorn, op Weblog over Kijken van Nicole Montagne.
bron
- de Contrabas: Duco Arris Vorster (1880-1953) 26 Jan 2012
Vorig jaar berichtte ik over een dichter/dominee die meende dat hij een medium was dat overleden dichters als Jacob Cats gebruikten om nieuwe 'postume' gedichten te schrijven. Vandaag kwam ik een dichter/dominee tegen, die niets met spiritisme had, maar wiens volgelingen toch geloofden dat hij een medium was. Omdat ze dachten dat hij tijdens het preken doden tot leven wist op te wekken.
De wekelijkse* column van Bart FM Droog
D.A. Vorster, of te wel Duco Arris Vorster. In geen enkele bloemlezing ben ik hem tot dusverre tegen gekomen. Bij het verwerken van gegevens uit Het Nederlandsche Boek 1924, een catalogus die in november 1924 in een oplage van 30.000 exemplaren werd uitgebracht door de Nederlandsche Uitgeversbond te Amsterdam, zag ik z'n debuut staan. En kwam, na enige literatuurarcheologie tot:
D.A. Vorster (Steenwijk, 25-5-1880/Arnhem, 7-12-1953)
Volledige naam: Duco Arris Vorster. Dichter en schrijver van mystieke werken. Studeerde theologie te Leiden. Vrijzinnig hervormd predikant in Oldeberkoop (1905), Renese (1909), Olst (1912-1924) en voorganger van de afdeling Vrijzinnig Hervormden te Arnhem 1924-1947. Hij bewonderde Henriëtte Roland Holst en Frederik van Eeden, wiens kolonie 'Walden' hij bezocht. Een van z'n kinderen, zijn zoon Jaap, overleed in 1925 op 16-jarige leeftijd. Aan hem droeg hij zijn in 1926 verschenen bundel op.
In Arnhem werkte hij mee aan de landelijke vrijzinnige organisaties, in het bijzonder het jongerenwerk. Als predikant was hij sociaal en pastoraal bewogen, terwijl van zijn preken veel bezieling uitging. Hoewel hij zich niet met spiritisme bezighield, functioneerde hij voor een deel van zijn gehoor als 'medium': door zijn preektrant zagen sommigen hun overledenen als het ware voor zich.
Hij was betrokken bij de Vereniging van Woodbrokers en de VPRO. Hij nam in 1932 principieel stelling tegen het nationaal-socialisme en de daaraan verbonden rassenwaan.
Vorster behoorde ook tot de medewerkers aan de hervormde gezangenbundel van 1938, al wordt zijn naam daarin niet genoemd. Van zijn zeven bijdragen werd er één (gezang 224) als lied 126 opgenomen in de liederenbundel van de Ned. Protestanten Bond uit 1944, een door Vorster vertaald en bewerkt lied van de Duitse dichter Novalis.
Dichtbundels:
Het nieuwe getijde. Religieuse verzen, De Tijdstroom, Rotterdam, 1924
Op uwen drempel. Religieuse verzen, De Tijdstroom, Huis ter Heide, 1926
Het lied dat niemand zingen kan, De Tijdstroom, Lochem, [1949]
Het Lectuur Repertorium beoordeelt zijn verzen als 'zwakke poëzie', maar of dat ook echt zo is? Helaas bezit ik zelf geen gedichten van Vorster - dus mocht iemand daar wel over beschikken, dan kan één ervan hieronder gepost worden, mét bronvermelding en commentaar.
Bronnen:
Online catalogus Koninklijke Bibliotheek, Den Haag
R. Klooster, Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 6, 2006
Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, auteursoverzicht: D.A. Vorster
Het Nederlandsche Boek 1924, samenstelling Jan Tadema, Joh.C. Brusse, G.F. Callenbach Sr. en I. Noothoven van Goor, Nederlandsche Uitgeversbond, Amsterdam, 1924
Lectuur Repertorium, Dl 3, S-Z, ASKB, Antwerpen/Tilburg, 1954
* Vorige week publiceerde ik géén column. Dus deze week twee, ter compensatie.bron
- de Contrabas: Afscheid stadsdichter Antwerpen 26 Jan 2012
Peter Holvoet-Hanssen sloot in Oostende zijn tweejarige Antwerpse stadsdichterschap feestelijk af. Voor Holvoet-Hanssen is de 'Koningin der Badsteden' een maîtresse bij wie hij op adem komt. Hij stelde in Oostende zijn laatste Stadsgedicht 'Aangespoeld in Oostende' voor: een vaarwel aan Antwerpen en een groet aan Oostende. Een gedeelte van dit gedicht werd aangebracht aan een steiger aan de Visserskaai. In première presenteerde Peter die dag ook zijn nieuwe boek Antwerpen/Oostende (uitgeverij Prometheus): een overzicht van twee jaar Stadsdichterschap met foto's van Jo Clauwaert en ontwerpen van Jelle Jespers.
Tijdens de inhuldiging nodigde de StadsPeter in Vrijstaat O. een bonte stoet vrienden uit om Oostende te komen 'enteren': zangeres Mira, de dichters Peter Theunynck en Christoph Bruneel, de orgelman van Oostende: de Padjalder en de huisband van de Stadsdichter: Les Musicaux. In de Venetiaanse Gaanderijen wordt een expo gepresenteerd waarin het stadsdichtersverhaal van Peter Holvoet-Hanssen in woord en beeld wordt verteld (te bezichtigen tot en met 5 februari 2012). Beeld:
bron
- de Contrabas: Gedichtendagdingen (2) 26 Jan 2012
Gisteren won Jan Lauwereyns voor zijn bundel Hemelsblauw de VSB-Poëzieprijs, een ooit als "prestigieus" de markt in geholpen prijs die nu alleen nog de genomineerden en hun directe familie uit de slaap houdt (één dag). Knack bericht. Deze zin uit het bericht joeg een milde glimlach over mijn gelaat: "Gedichtendag kan niet meer stuk voor de Vlaamse auteurs, althans wat de poëtische lauweren betreft. Paul Demets, David Troch en nu ook Jan Lauwereyns - Vlaamse expat die als neurowetenschapper in Japan verblijft - vielen immers in de prijzen." Nu de lezers nog.
Ook in Knack, een artikel van Frank Hellemans waarin dichters en Erik Spinoy aan het woord komen over "de toekomst" van "de poëzie" in gedrukte vorm. Ik, jullie hoofdredacteur, krijg even het woord en probeer er het beste van te maken. Paul Claes staat er het meest ontspannen in: "Knacks huisdichter en zelf ook een poëet van formaat, zal het allemaal worst wezen. Hij laat de kermis van deze Gedichtendag stoïcijns aan zich voorbijgaan: 'Om wat tegenwoordig poëzie heet, kun je lachen zoals Democritus of huilen zoals Heraclitus. Mij laat ze vooral koud.'"
Wat mijn een bruggetje verschaft naar mijn hartenkreet van vorig jaar, toen verschenen in nrc*next en het grote broertje, NRC Handelsblad. Mijn voorstel tot een moratorium van vijf jaar heeft het (voorlopig) niet gered: "Maar toch, ik herhaal het: het moet de komende jaren maar eens afgelopen zijn. E. du Perron schreef het immers al: 'De Poëzie blijft, naakt en ongekromd, / een Tijdverdrijf voor enk’le Fijne Luiden.' Zo is het maar net. Ook al bedoelde hij het ironisch."
bron
- de Contrabas: Abraham Schooleman (1853-1875) 25 Jan 2012
Over het tragische leven en de merkwaardige dood van de schrijver van 'Een liedje van Koppelstok' (In naam van Oranje, doe open de poort!) alsmede over een omslachtige speurtocht
Bij het onderzoeken van de bekende bloemlezing Ik ging naar Bommel om de brug te zien. Nederland in 100 liedjes en gedichten. Bijeengebracht door - daar heb je ze weer! - C.J. Aarts en M.C. van Etten (Bert Bakker, Amsterdam, 1998) kwam ik A.J. Schooleman (?/?) tegen. Schrijver van 'Een liedje van Koppelstok', waarvan de openingsregels bekender zijn dan de titel:
In naam van Oranje, doe open de poort!
De Watergeus ligt aan de wal
De catalogus van de Koninklijke Bibliotheek bezit twee muziekbladen getiteld 'Een liedje van Koppelstok den veerman', gepubliceerd in 1918 en 1928. Waardoor ik aanvankelijk meende dat A.G. Schooleman een twintigste eeuwer was. Deze gedachte werd versterkt door het vinden van een huwelijksakte, d.d. 7 december 1911, die getuigt van de huwelijksvoltrekking in het Friese Rauwerdehem tussen de 28-jarige Abraham Jacobus Schooleman (geboren te Zutphen) en de 31-jarige Taetske de Haan.
Maar twee bronnen zijn géén bronnen, dus keek ik ook nog even in de Historische Krantenafdeling van de KB. Waar ik dit traceerde:
----------------
Nieuwsblad van Friesland: Hepkema's courant, Heerenveen, 18-4-1922
„In naam van Oranje, doe open de poort”
Het lied van Koppelstok, den Brielschen veerman, zoo populair, dat iedere Nederlander het kent, — wie kent den maker er van?
De dichter-componist is jong gestorven en wel in onze provincie, te Akkrum. 't Was de onderwijzer A. G. Schooleman. Hij maakte als 18-jarige jongen in 1871 het lied, en toen het volgende jaar, in 1872, het 300-jarig feest van den Briel alom in den lande gevierd werd, werden door een uitgever te Zutfen in veertien dagen tijds 80.000 exemplaren van het overal inslaande lied verkocht. Schooleman zelf spon er echter geen zijde bij. Hij kreeg een mooi boek voor de moeite, en een vriend van hem, die hem geholpen had voor de melodie, eveneens een boek. Schooleman kreeg kort daarna een ongeluk. Op een bankje voor de klasse staande, kantelde hij om. Hij ontwrichtte zijn heup en 't gevolg was, dat hij het onderwijs verlaten moest. Toen zijn vader, die stationschef was, naar Akkrum werd overgeplaatst, ging de zoon mee. Abraham Schooleman is daar in 1875 op 22-jarigen leeftijd overleden.
---------------
Op z'n overlijdensakte staat: Abraham Jacobus Schooleman. Overlijdensdatum 22-02-1875. Leeftijd 22 jaar. Ongehuwd. Waardoor je bijna gaat denken dat de te Zutphen geboren Abraham Jacobus Schooleman (1883-1954) een naar de tekstdichter vernoemde neef is. Maar dit terzijde.
Dit geschreven hebbende keek ik op Google of er meer over hem bekend was. En ja, op Wikipedia bevindt zich een pagina over hem. Máár... zonder de smakelijke details, en zonder bronvermelding - al strookt wat ik daar lees met wat de krant uit 1922 meldt (op het A.G. Schooleman na, een tik- of zetfoutje dat te dateren valt op 1922).bron
- de Contrabas: Interview Bart FM Droog DvhN 25 Jan 2012
"Bijna Gedichtendag. Vooruitlopend wordt woensdagavond de VSB Poëzieprijs uitgereikt voor de beste dichtbundel van het afgelopen jaar. In geld – 25.000 euro – de grootste poëzieprijs van ons land. Een prestigieuze onderscheiding, maar ook een willekeurige. Ondanks de deskundige jury. Want hoe kan een jury de beste bundel van het jaar bekronen als hij niet weet hoeveel bundels er zijn verschenen?" Joep van Ruiten interviewde Bart FM Droog, redacteur van deze website, over de Poëzie Encyclopedie, voor het Dagblad van het Noorden. De tekst is nu te lezen op Woest en Ledig.
bron
- de Contrabas: Keerzijde 25 Jan 2012
't Netwerkend dichtbestaan
Wakkert de wellust aan
Troch pakt zijn prijzen
Vol melancholieAch deze meester in
Turingbreedsprakigheid
Wordt toch weer wakker
Naast Sylvie Marie© Eelke van Es
bron
- de Contrabas: De redactie vraagt uw aandacht... 25 Jan 2012
De redactie van literair tijdschrift De Gids vraagt uw aandacht voor het volgende. Omdat een stagiair het persbericht te vroeg heeft verzonden, zijn er mensen die denken dat de overname van het ooit zo trotse letterkundige blad door De Groene een overname is. Dat is het niet. Het is namelijk een overname, waarbij het blad een nieuw uiterlijk krijgt en een nieuwe verschijningsvorm, maar dat is geen enkele reden om het smalende woord "overname" te gebruiken. Ook zal het blad als bijlage worden verzonden naar abonnees van De Groene, wat zeker niet wil zeggen dat het blad een bijlage wordt van De Groene. Integendeel: het blad wordt een bijlage van De Groene, alleen voor abonnees van De Groene. "Maar de redactie blijft onafhankelijk, Stichting De Gids houdt de zeggenschap over de uitgave, er blijft een apart Gids-abonnement te krijgen, evenals losse exemplaren van De Gids." Einde mededeling. ("Het zou de redactie van De Gids niet misstaan dat misplaatst parmantige toontje in te wisselen voor een wat bescheidener geluid." - stelt De Nieuwe Gids, een weblog dat overigens wel tot de papierenbladgelovigen behoort.)
Bron foto: kimjongillookingatthings.
bron
- de Contrabas: "De tussenpersoon in de kunst" 25 Jan 2012
Op de website van rekto:verso staat dit artikel van Christophe van Gerrewey, waarin hij een lans breekt voor "de tussenpersoon in de kunst": "Een schrijver heeft een redacteur nodig, een muzikant een producer, een theatermaker een dramaturg, een filmregisseur een editor, en een kunstenaar een curator." Uiteindelijk zal die tussenpersoon moeten terugtreden:
"Wanneer het werk klaar is en de rots en de stolp op hun plaats staan, valt het doek over alles wat voorafging. Het werk dat plaatsgrijpt tussen de arbeid van de cultuurproducent en de appreciatie door het publiek moet uiteindelijk verborgen blijven. Het is een van de verzwegen onderdelen van de esthetische ervaring, en een van de vele geheime gebeurtenissen waarop een artistieke cultuur is gebouwd."
In een noot van de redactie heet het vervolgens: "(...) onderstaande tekst is de authentieke eerste versie van de auteur. De finale versie, na redactionele feedback en eindredactionele ingrepen, lees je hier. Zoek de tien verschillen..." Voer voor filologen.
Zie ook, over redactioneel werk, toegespitst op poëzie, deze verwijzing naar een artikel van Sameer Rahim.
bron
- de Contrabas: Sire, er zijn geen dichtbundels (meer) 25 Jan 2012
Gisteren schreef Sofie Mulders in De Morgen: "Vorige week maakte boek.be bekend dat het aantal boeken dat vorig jaar verkocht wed in Vlaanderen voor het tweede jaar op rij is gedaald. Maar dat was niet het meest verontrustende nieuws. Uit cijfers die De Morgen kon inkijken, blijkt dat de omzet van poëzie met maar liefst 57 procent is gedaald over een periode van vijf jaar (2007-2011). Dat is dramatisch, waarschuwt Geert Joris van boek.be. 'Er is dringend actie nodig om deze negatieve tendens tegen te gaan. Poëzie is een hoeksteen van de literatuur, net zoals de roman dat is. We moeten het genre absoluut in de markt houden.'"
Op de website van Knack zijn dezelfde onheilsgeluiden te lezen: "Morgen is het Gedichtendag met meer dan 300 poëzie-evenementen maar met de verkoop van poëziebundels loopt het voor geen meter meer, aldus boek.be. Alarmerende cijfers: een dikke twintig procent minder verkoop van poëzie in print het afgelopen jaar en op vijf jaar tijd ongeveer de helft minder omzet. Het is stilaan vijf voor twaalf voor de schrijvende dichter die nog hoopt dat zijn poëzie ook verkocht én gelezen geraakt."
(Wordt in de loop van de dag aangevuld.)
bron
- de Contrabas: David Troch wint Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 24 Jan 2012
"De Vlaamse dichter, schrijver en regisseur David Troch uit het Belgische dorp Sint-Denijs-Westrem is de winnaar van de derde editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Juryvoorzitter en de huidige Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr reikte hem dinsdagavond in de Amsterdamse Stadsschouwburg de eerste prijs van 10.000 euro uit voor zijn gedicht 'Wij waren geen jongens'." Meldt De Stentor. Hier het winnende gedicht. Alle info over de prijs: hier.
bron
- de Contrabas: Over bloemlezingen (1908-2012) 24 Jan 2012
De wekelijkse column van Bart FM Droog
In 2001 voorspelde Gerrit Komrij het eind van de thematische bloemlezingen: 'Al die verzamelbundels met gedichten over vogels, vissen of liefde, of zelfs over zulke onzin als de fiets of de moeder, je hebt er geen poëziekenners of bloemlezers meer voor nodig.' (1)
Links Komrij, kort na zijn visioen, 2002 (c) Bart FM Droog
Komrij wierp deze blik op de toekomst na de constatering dat heel veel thematische bloemlezers wel erg gemakzuchtig te werk gingen én vanwege deze technologische ontwikkeling: 'De thematische bloemlezing is op sterven na dood. Binnenkort zal de cd-rom of de DVD met alle Nederlandse gedichten er zijn. Met bijna alle toch zeker. Je krijgt met gemak de tekst van een paar miljoen gedichten op één schijfje. Wil je hondengedichten lezen? Je klikt een rijtje passende sleutelwoorden aan - hond, teef, woef, kwispelen - en in een mum van tijd heb je ze allemaal geplukt.'
Terug naar 2012. Sedert 2001 zijn er tientallen thematische bloemlezingen verschenen, zoals blijkt uit deze kleine keuze uit vlees- en fauna-anthologieën: Die felle... Gedichten over vossen (2005); Vlees is het mooiste (2007); Woef Tjielp Knor. De mooiste gedichten over dieren (2009); Altijdboe – de mooiste koeiengedichten (2002); Lyrisch over eten. De lekkerste gedichten uit de Nederlandse poëzie (2004); Hondstrouw. De mooiste hondengedichten (2010) en Poeslief. De mooiste poezengedichten (2010)
Nota bene: Een handvol veren (2009) en Ik ben een bijl (2009) behoren niet tot de thematische diergarven. Hoewel ze klinken als poeliers- en slagersbloemlezingen zijn het in feite boeken met enerzijds haiku's en senryu's en anderzijds favoriete gedichten van de samensteller - met misschien een enkel verdwaald diergedicht ertussen. Maar dit terzijde, want terug naar Komrij's visioen uit 2001.
Die alomvattende dvd of cd-rom die het orakel uit Portugal voorspelde is er niet gekomen. En zal ook nooit - legaal - gemaakt kunnen worden. Want je zit natuurlijk met de rechtenkwestie. Wie zo'n cd-rom (of site of e-book of whatever) wil maken heeft natuurlijk de toestemming van de dichters of hun rechthebbenden nodig. Tot zeventig jaar na de dood van de auteur.(2) Voor een afgemeten bloemlezing, zelfs voor een hele grote als De Dikke Komrij, De Vette Breukers of De Superieure Spiegel is dat een te overzien probleem. Meestal bestaan die werken uit gedichten die al enigszins bekend zijn en waarvan de makers of hun erven vrij makkelijk te achterhalen zijn.
Maar neem nu eens een oude bloemlezing, zoals Verzen van Noord- en Zuid-Nederlandsche Dichters. 1875-1908. Bijeengebracht door Pol de Mont, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1908 (Derde herziene en vermeerderde druk) [1e druk 1896]. Je zou verwachten dat je deze veilig zou kunnen herpubliceren, ervan uitgaande dat al het werk erin inmiddels rechtenvrij zou zijn. Maar nee. Deze bloemlezing bevat ook gedichten van:
Augusta Peaux (1859-1944)
Alfred Hegenscheidt (1866-1964)
Frans Bastiaanse (1868-1947)
Gerrit C. van 't Hoog (1869-1946?)
Edmond van Offel (1871-1959)
August Vermeylen (1872-1945)
Carel Scharten (1878-1950)
Joannes Reddingius (1873-1944)
Constant Eeckels (1879-1955)
En is dus eerst in 2035 compleet rechtenvrij (op de eerste januari, volgend op het zeventigjarig overlijdensjubileum van Alfred Hegenscheid). De erven opsporen van deze voor het merendeel in de vergetelheid geraakte dichters is een heidens karwei. Wat wel moet gebeuren, want anders kan je serieus in de problemen komen. Zo kunnen boze erven óf een torenhoge rekening sturen óf je naar het cachot laten zenden óf - in het ergste geval - een complete site offline doen gooien.
Nu doet het merkwaardige feit zich voor dat Verzen van Noord- en Zuid-Nederlandsche Dichters. 1875-1908 onlangs opnieuw is uitgebracht. Als pdf-bestand, op de site van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. Ik vermoed dat de redactie aldaar in de veronderstelling verkeerde dat je zo'n oude bloemlezing probleemloos online kan zetten. Niet dus.
Nu hoop ik in deze dat de erven Peaux t/m Eeckels zich niet gaan roeren. En hoop ik ook dat specialisten zich gaan buigen over de vraag of voor het online herpubliceren van oude bloemlezingen wellicht een gaatje in de Auteurswet te vinden is. Want het is toch wel heel erg fijn dat zo'n oude bloemlezing voor iedereen ontsloten is.
1. In: Trou moet blycken. Of opnieuw In liefde Bloeyende. De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de eenentwintigste eeuw in honderd en enige gedichten, Gerrit Komrij, Bert Bakker, Amsterdam, 2001
2. Je kan natuurlijk zonder probleem de Alomvattende Poëzie cd-rom maken met louter gedichten van minimaal zeventig jaar dode dichters. Maar dat werk zal grotendeels gedateerd zijn, omdat taal en cultuur langzaam maar zeker veranderen. Ergo: niemand zit op een cd-rom vol demente poëmen te wachten.
bron
- de Contrabas: Gedichtendagdingen (1) 24 Jan 2012
Boek.be meldt: "Paul Demets wint zowel de Herman de Coninckprijs voor de Beste Dichtbundel met De bloedplek als de Publieksprijs voor het Beste Gedicht met Zonnehemel. Y.M. Dangre wint na de proza-Debuutprijs nu ook de Herman de Coninck Debuutprijs met Meisje dat ik nog moet."
Koenraad Goudeseune schreef eerder over Demets bundel op deze website. Het waren roerige tijden. Lies van Gasse schreef nog een als recensie vermomde terechtwijzing. Abe de Vries besprak de bundel van Dangre.
Vanavond "ontvangt de winnaar van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd de hoofdprijs van € 10.000 uit handen van Juryvoorzitter Ramsey Nasr in de Amsterdamse Stadsschouwburg."
bron
- de Contrabas: Ochtendnieuws: 24.2.2012 24 Jan 2012
Op de website van VPRO Boeken is de Gedichtendagaflevering met Willem Jan Otten en Menno Wigman terug te zien.
Op de website van Knack een beeldreportage over... boekhandels. U weet wel, offline gebouwen waar geprinte boekproducten aan de man / vrouw worden gebracht.
Een andere opmaak en indeling van De Morgen. "De krant De Morgen heeft vanaf vandaag een nieuwe look. De meest opvallende verandering is dat de krant maar uit 2 katernen meer bestaat: een eerste katern met het algemene nieuws en een tweede katern met cultuur- en lifestylenieuws." Lifestylenieuws. Wat een deprimerend woord is dat toch.
Op de website van het AD een waarlijk shockerend bericht over een literaire diefstal: "Het bronzen beeld van Simon Carmiggelt en zijn vrouw Tiny, tegenover het gemeentehuis van Rheden in De Steeg, is afgelopen weekeinde gestolen. De gemeente is geschokt over de diefstal van het levensgrote werk, dat geldt als een icoon voor het Gelderse plaatsje."
bron
- de Contrabas: Poëzie & redactie 23 Jan 2012
Op de website van The Telegraph een interessant artikel over het redigeren en redactioneel begeleiden van poëziebundels. Veel aspecten van het vak - van het plaatsen van het juiste woord op de juiste plek tot en met het ondervinden van naijver - komen aan bod. Sameer Rahim (Assistent Books Editor, maar deze assistent komt er wel) ploegt zich door de geschiedenis, van Dante en Eliot tot hedendaagse dichters als John Burnside en Ben Okri. Vakliteratuur in deze Goede Week richting Gedichtendag.
bron
- de Contrabas: Snookergedicht voor Ingmar Heytze 23 Jan 2012
A.H.J. Dautzenberg meldt: "Een snookergedicht schreef ik, naar aanleiding van de klaagzang van Ingmar Heytze in de Volkskrant. Hij is typisch een kind van de jaren zeventig: iedereen moet meedoen, gezellig. Op de snookertafel scoort hij (toeval?) 65 punten (pensioen!)":
bron
- de Contrabas: Nico Dijkshoorn en de sprong 23 Jan 2012
Nico Dijkshoorn is een toffe peer die niet moeilijk doet. Maar wel kan schrijven. Soms vindt er in zijn hart een gevecht plaats tussen die toffe peer en de schrijver. In het Volkskrant Magazine van 21 januari 2012 staat een interview met Dijkshoorn, waarin dit gevecht (deels) aan de orde komt. Op de vraag van interviewster Sara Berkeljon "Kan het je iets schelen of je in de literaire wereld serieus wordt genomen?" zegt hij:
"Een half jaar geleden kreeg ik een verzoek van iemand die een gedicht van mij wilde gebruiken voor een poëziekalender. Prima, zei ik. Kreeg ik een maand geleden die kalender, bleek het een kalender van Gerrit Komrij te zijn. (...) Bij mijn gedicht had Komrij een stukje geschreven, een loeiharde afrekening met de poëziewereld. In die kringen wordt er, blijkbaar, met een enomre naijver en achterdocht over mij gesproken." Even verder: "Ik hoor het van Ronald Giphart ook, dat hij mij geregeld moet verdedigen, en van Thomése, van Wilfred de Jong, van Henk Spaan. Ik denk dat het me allemaal te makkelijk af lijkt te gaan."
Vreemd genoeg had ik nu net het idee dat Dijkshoorn in "de" poëziewereld met open armen was ontvangen! Hij werd (als dichter: voor het eerst) geïnterviewd op deze website, in De Revisor stond een doorwrochte beschouwing over zijn werk, zijn bundel verkocht alsof het niets was... Successen alom, en ik kom tot op de dag van vandaag regelmatig mensen tegen die met onversneden sympathie over Dijkshoorn spreken.
Je zou bijna gaan denken dat Dijkshoorn zich miskend voelt. Zeker na lezing van het antwoord op de vraag: "P.F. Thomése zei: het werk van Dijkshoorn behoort tot de literatuur. Maar hij zei ook: hij vermorst zijn talent. Omdat je zo snel schrijft en veel produceert.": "Ben ik het niet mee eens. Ik wil me niet verdiepen in de wetten van het schrijven, omdat ik denk dat datgene wat me gelukkig maakt dan weg is. (...) Het is een persoonlijk boek en ik ben er tevreden over (...). Dat is misschien ook het verschil tussen Thomése en mij: hij is een schrijver, ik ben van alles."
Deze pendelbeweging tussen vreugde om erkenning en afwijzing van "de wetten van het schrijven" kenmerkt, denk ik, de schrijver Nico Dijkshoorn. Thomése heeft gelijk, vrees ik, maar op een andere manier dan hij denkt. Want het echte geheim van die afwijzing, die nurksheid als het er om gaat ergens bij te willen horen, bij "de" schrijverswereld bijvoorbeeld, staat óók in het interview: Dijkshoorn had een vader die alles wat zweemde naar een voorzichtig begin van diepgang afwees:
"Mensen die van kunst hielden, of spraken over een film die ze hadden gezien, vond hij vreselijk. Dan luisterde hij niet. Omgekeerd wilde hij wel dat we met z'n allen om hem heen gingen zitten om naar zijn lulverhalen over de camping in Spanje of over antiek te luisteren. Terwijl we met z'n allen wisten: dit is antiek voor mongolen. Het sloeg nergens op."
Deze week verschijnt Nooit ziek geweest, de tweede roman van Dijkshoorn. Onderwerp: zijn vader, Klaas Dijkshoorn. Ik ben benieuwd of Dijkshoorn de sprong naar "de" literatuur durft te maken. Want in tegenstelling tot zijn vader ben ik, om maar iemand te noemen, wél benieuwd naar Nico's lulverhalen. Kom op, Dijkshoorn, springen. Je kunt het.
bron
- de Contrabas: Wat is literatuur? Het antwoord. 23 Jan 2012
Wat is literatuur? Dat is een vraag die hele volksstammen al tijden in burgeroorlog wist te dompelen, maar die donkere eeuwen zijn binnenkort voorbij. Onder leiding van Karina van Dalen-Oskam gaat de KNAW / Huygens ING op zoek naar antwoorden op de volgende vragen: "Wat maakt dat een boek door een groot publiek goed of juist slecht wordt bevonden? Waarom noemen mensen sommige boeken 'literair' en andere boeken niet?"
Dit onderzoek zal volgens het persbericht ongeveer zo in elkaar zitten: "In verschillende enquêtes kunnen lezers aangeven hoe goed en hoe literair zij een aantal hedendaagse romans vinden. Op basis van de scores worden dan die romans onderzocht waarover de meeste lezers het eens zijn dat ze literair/goed, literair/slecht, niet-literair/goed en niet-literair/slecht zijn. Met geavanceerde software wordt vervolgens gekeken welke formele eigenschappen die vier typen romans hebben: hoe gevarieerd is de woordenschat, wat is het aandeel van verschillende woordsoorten zoals bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden, hoe lang zijn de zinnen gemiddeld, maar ook: hoe ingewikkeld is de syntactische structuur van de zinnen, en hoe complex is de verhaallijn."
In zijn dagelijkse column op Neder-L kan Marc van Oostendorp het niet laten om bezorgd met het hoofd te schudden:
"Iets wat ieder boek over technologiegeschiedenis enorm opfleurt: verhalen over domoren die in de tijd dat er een nieuwe uitvinding werd gedaan luidkeels begonnen te roepen dat zoiets toch echt niet kon: nooit zal de mens een voet op de maan zetten, nooit kan een auto harder rijden dan 20 km per uur, nooit wordt een computer wereldkampioen schaken. Laat ik nu eens zo'n domoor worden. Wat mijn collega's van onder meer het Huygens Instituut, onder leiding van Karina van Dalen-Oskam blijkens een persbericht willen, dat kan volgens mij helemaal niet."
bron
- de Contrabas: Het eerste gedicht (47): Herlinda Vekemans 22 Jan 2012
Vandaag het eerste gedicht uit de derde bundel van Herlinda Vekemans, Schrikdraad geheten. Het gedicht heet 'Ariadnes klaagzang'. Dat verbaast niet, na bestudering van de flaptekst, die onder meer zegt dat de hele bundel "losjes is gebaseerd op de mythe van Ariadne en het labyrint waarin haar geliefde zich laat opsluiten om een moordzuchtig monster, de minotaurus, half mens, half stier te doden. (...) De bundel begint met een klaagzang van Ariadne nadat ze achtergelaten werd, en duikt dan in een flashback opnieuw het labyrint in."
Het gedicht werd eerder gepubliceerd als 'Gedicht van de week' in 2007, doorschoten met links naar allerlei websites - een toevoeging die in de papieren versie uiteraard moet ontbreken; maar het interessant om nog eens terug te bladeren en hier en daar inderdaad eens door te klikken. Vekemans gaf in 2007 een eigen richting aan het gedicht, dat door de links ineens leek te "gaan" over het geweld tegen vrouwen, maar daar kan ik nu, binnen deze reeks, niet a priori in meegaan. Ik ga proberen te lezen wat er volgens mij staat:
Ariadnes klaagzang
I
als bloed in natte sneeuw
verwatert in wit,
als in een vergiftigde rat
darmen in de buikholte doodbloeden
inwendig met ondergronds rot verwant
zo wist ik al
zo doorboorde jij mijn honger
met je vleugelwijde ogen
en woekerde je jezelf
mijn buikvlies in
licht dat sterft
als ieder als elk als ikII
als water bij water
in oogneerslag verdunt
en sluimer in diepe slaap oplost
striem jij met riemen de zee
zing je tot de gordel van golven
als was ik niet
als was ik van ieder van elkIII
als sintels van verteerd vuur
van smeulend bewegen
hun licht legen
en zich als as aan de wind geven
doof dan ook mijn gedempte stem
elk weten is al ingesneeuwd
alle stiltes al gestelpt
en zachter dan jij is elk wild dier
opgekruld in het nest van elk van hen
had ik veiliger geslapen dan aan
jouw borstDe reeks doet me denken aan het gedicht 'Een kus in Ter Kameren' van Jos de Haes. Voor de Nederlandse lezers is het misschien niet slecht om Ter Kameren even te specifiëren. Het is een park in Brussel, dat daarom bos heet, want in Brussel pakken ze alles groot aan, een park dat ooit bij een abdij hoorde. Vandaar dat De Haes het in zijn gedicht kan hebben over "abt of abdis", maar ook over een "gelobde waterhoen".
De Haes beweegt zich in het gedicht via een "splinterende lucht" en "alle onthalsden en verstikte pories" naar een "heilige pest der geschiedenis" om te eindigen met de magistrale strofe:
Bewegend lipvlees tegen been,
aan alle kanten duwt het,
jouw koude speeksel zuig ik,
als het gaat gisten zal ik,
het kan niet dat ikGrammatica en woordkeus desintegreren, terwijl er toch sprake is van een zekere eenheid, of "zen". Het vers eindigt juist in het tegedeel van dat "splinterende", maar valt ondertussen wel uiteen. Het "bewegend lipvlees" en "het been" (het skelet?) raken elkaar, in een onmogelijke aanraking. Of misschien ligt het anders, en is de definitieve samensmelting pas op dát moment mogelijk. Ik weet het niet, maar het heeft er wel iets mee te maken allemaal.
Het gedicht van De Haes gaat, als je dat zo kunt zeggen, over wat de dichter onuitsprekelijk acht, hoewel hij er heel dicht bij komt, of lijkt te komen. Het park en de erbij horende abdij (die voor de religieuze kleuring zorgt) worden een labyrint, een weefsel van betekenissen en verbintenissen waarin hij verloren loopt, maar toch tot een versplinterde eenheid lijkt te geraken.
Ariadne uit het gedicht van Vekemans zit niet in het labyrint, maar ze weeklaagt over de persoon die in het labyrint is, - een persoon die haar niet heeft meegenomen. Anders dan De Haes eindigt niet elk deel van het gedicht met het woord "ik": Ariadne is meer gericht op de ander, op de persoon die haar achter laat, dan op zichzelf. Lijkt het. Ze eindigt met de wooden "ik", "elk" en "borst". Hoewel deze strofe wel lijkt te wijzen op de wens om met de ander te versmelten:
zo doorboorde jij mijn honger
met je vleugelwijde ogen
en woekerde je jezelf
mijn buikvlies inheeft dat versmelten meteen ook met woekering van doen, met wegvreten, met iemand ten eigen bate opvreten. Het is kannibalisme, ondanks die fraaie "vleugelwijde ogen".
In het gedicht zit beweging die Vekemans maakt, van "bloed in natte sneeuw" naar "water bij water" en "sintels van verteerd vuur". Bloed en water en vuur gaan allemaal op in iets groters, raken verdund, verspreiden zich; ze gaan in iets groters op. Dat maakt dit gedicht bij uitstek "vloeibaar", of misschien wel "splinterend": niets ligt vast. Bloed verdunt, water smelt en de vonken van het vuur regenen in as uiteen. Net als het gedicht, lijkt Vekemans ons (subtiel) onder de neus te willen wrijven, of net als de liefhebbende mens.
Ariadne klaagt of weeklaagt in dit gedicht, maar ondanks de beweeglijkheid van het gedicht is het geen weke of passieve klacht. Naar het einde toe haalt Vekemans de teugels eens flink aan:
als sintels van verteerd vuur
van smeulend bewegen
hun licht legen
en zich als as aan de wind geven
doof dan ook mijn gedempte stem
elk weten is al ingesneeuwd
alle stiltes al gestelpt
en zachter dan jij is elk wild dier
opgekruld in het nest van elk van hen
had ik veiliger geslapen dan aan
jouw borst"Hell hath no fury like a woman scorned" wil het gevleugelde woord, maar hier is iets anders aan de hand. Hier neemt de om een afwezige geliefde rouwende persoon het heft (opnieuw) in handen en vormt de geliefde om tot iemand bij wie je niet veilig bent. Door een bijna-agressieve daad van Ariadne kan de zichzelf tot dapperheid aanzettende held worden weggedaan, uit het systeem gestoten, net als bloed en water en vuur worden verdund; misschien kun je zelfs zeggen dat Ariadne Theseus definitief opsluit in het labyrint, door hem met woorden te slaan.
De mythologie (en dit gedicht) zeggen dat de held haar, ondanks een trouwbelofte, liet zitten. Dat versplintert (alweer een vorm van verdunning) haar wezen, maar tegen het eind van de klacht neemt de hoofdpersoon (en de dichter) het heft in eigen handen. Waar De Haes eindigt met een uitroep van machteloosheid, geeft de Ariadne in dit gedicht de held een trap na. Hij móét weg.
Dat doen beide dichters in een taal die wankelt op haar fundament en zoekt naar de grenzen van wat nog zegbaar is, maar toch voldoende gefundeerd is om tot in de puntjes en met groot vakmanschap te worden bestuurd.
bron
- de Contrabas: Het Vlaams Fonds voor de Letteren... 22 Jan 2012
... geeft een prijs aan een initiatief dat werd ondersteund door het Vlaams Fonds voor de Letteren...
Goh. Wat ik nu toch lees op de website van Knack... Tijdens de nieuwjaarsreceptie van het Vlaams Fonds voor de Letteren werd de Parnassusprijs uitgereikt, een prijs die "is bestemd voor literaire spelers achter de schermen die toch heel wat nuttige arbeid verrichten om de schone letteren extra zichtbaarheid te geven." Laureaat was De Papieren Man zaliger nagedachtis, gepersonifieerd door Hans Cottyn en Dirk Leyman. Zij volgden Adriaan van Raemdonck, Ronald Soetaert en Gerd Segers (van Revolver) op.
Behalve het hoge WC-eend-gehalte van deze prijs (het Fonds steunde De Papieren Man, Dirk Leyman zetelde in een commissie van het Fonds, en na beëindiging van de website krijgen de belangrijkste spelers een prijs, van het Fonds) is er iets anders dat mij, tsja, verdrietig stemt. De Parnassus mag men blijkbaar pas op ná beëindiging van een levenswerk of aan het einde van een levenswerk (zoals geldt voor Segers of Van Raemdonck) of als je wat academisch gesputter combineert met leesbevordering, die moderne vorm van alchemie waarin het goud is veranderd in de ministeriële subsidiepotten (die eerder in goud veranderen dan de alchemisten ooit voor mogelijk hadden gehouden).
Ondertussen zijn er heel wat mensen "die toch heel wat nuttige arbeid verrichten om de schone letteren extra zichtbaarheid te geven" die het Fonds niet ziet, niet wil zien of zelfs actief van de Parnassus afduwt. Ik hoop van harte dat ik volgend jaar een uitnodiging krijg voor de nieuwjaarsborrel. Het lijkt me daar zo... gezellig.
bron
- de Contrabas: Emile den Tex (1918-2012) overleden 21 Jan 2012
De Volkskrant bericht dat petroloog en dichter Emile den Tex op 3 januari 2012 in zijn woonplaats Zoeterwoude is overleden. Hij was hij ook prozaïst, avonturier en medewerker aan het tijdschrift De Tweede Ronde. Tevens was hij een broer van de kunstschilder Kees den Tex (1916-1997) en vader van voormalig literair vertaler Gideon den Tex (1948) en schrijver Charles den Tex (1952).Den Tex werd op 3 november 1918 te Amsterdam in een patriciërsgezin geboren. In 1937, tegen de zin van zijn vader in, begon hij aan z'n studie geologie te Leiden. In de oorlogsjaren schreef hij deze dichtbundels:
Slagzij, Atlantis-reeks nr. 2, Stols, ‘s-Gravenhage, 1942. Oplage 300 ex.
In memoriam patriae, In agris occupatis [A. Th. Mooy], Groningen, 1944. Oplage 150 ex. 2de druk 1944, 110 ex.
Schipbreuk, Bayard Pres, [= Kroonder, Bussum], 1945. Oplage 500 ex.
Compleet te lezen in dit pdf-bestand op dbnl.org
Stilte in de storm, 1945. Oplage 50 ex.
De eerste waarschijnlijk nog te Leiden, de anderen vermoedelijk te Groningen geschreven, waar hij ondergedoken zat na sluiting van de universiteit te Leiden.
Direct na de oorlog publiceerde hij de novelle Het Jaar Job [niet in de KB] en de verhalenbundel Pithecantropus Erectus (Bayard-reeks no. 8, Kroonder, Bussum, 1946). Hij keerde terug naar Leiden en promoveerde op een studie naar stollingsgesteente.
In 1950 emigreerde hij naar Australië, waar hij een baan kreeg aan de universiteit van Melbourne. In 1959 keerde hij terug naar Nederland. Daar werd hij hoogleraar te Leiden. Na z'n emeritaat in 1984 schreef hij het standaardwerk over de geschiedenis van de vulkanologie: Een voorspel van de moderne vulkaankunde in West-Europa (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam, 1998).
Hoewel z'n eerste dichtbundel in 1942 en z'n laatste bundel in 1945 verscheen, zijn gedichten van hem terug te vinden in bloemlezingen van Nieuwe poëzie (J.M. Meulenhoff, Amsterdam, 1940) tot en met Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten ( Bert Bakker, Amsterdam, 2004)
Dit artikel is gebaseerd op de Emile den Tex' necrologie in de Volkskrant van zaterdag 21 januari 2012, door Peter de Waard en op de Nederlandse Poëzie Encyclopedie (De Contrabas, in voorbereiding).bron
- de Contrabas: Ik wil gedichten die me wakker maken 21 Jan 2012
- een korte versie van dit stuk staat vandaag in de boekenbijlage van de Volkskrant - Door Ingmar Heytze
Yves T’Sjoen, een Vlaamse professor in de letterkunde, stelde een jaar of vijf geleden dat er twee soorten dichters bestaan: ‘believers’, ‘dichters die denken hun gevoelens, de gebeurtenissen, hun ervaringen probleemloos en direct in taal te kunnen omzetten.’ De ‘nonbelievers’, daarentegen, ‘gaan in hun schriftuur op zoek naar wat zich buiten de rationele kaders bevindt: (…) het onverstaanbare, het onzegbare. (…) Tegenover de eenduidigheid plaatsen zij de meerduidigheid, tegenover het statische de dynamiek, tegenover de orde het vrije spel van de organische woekering.’
Het is een aardig bedachte tegenstelling, en bij negen van de tien dichters weet je na het lezen van een half gedicht al in welke categorie ze volgens T’Sjoen thuishoren. Natuurlijk hangt er wel een zeker intellectueel dedain aan. Dat heeft veel te maken met de frase ‘probleemloos en direct’, en alles met de aanduiding ‘believers’. Je krijgt meteen medelijden met die malle, goedgelovige figuren: veel te ouderwets om te begrijpen dat het helemaal niet kán wat ze met hun versjes proberen. En dat je het ook niet moet willen. Meerduidig, dynamisch, vrij – dat is immers altijd beter dan orde en stasis (terzijde: Professor Tsjoen is gek als hij denkt dat er ook maar één behoorlijke dichter is die nietbegrijpt dat taal ontoereikend is om precies in uit te drukken wat je wilt zeggen. Elke dichter, van Jean Pierre Rawie tot Tonnus Oosterhoff, begrijpt dat een gedicht onvermijdelijk een forse dosis retoriek bevat. Ik wil niets omzetten in taal, ik wil dingen oproepen in taal die ik daartoe tot een gedicht probeer te ordenen. Ik heb, evenmin als een experimenteel dichter, geen idee wat ik eigenlijk wil zeggen als ik aan een gedicht begin – dat weet ik niet eens als het klaar is, en, met Rutger Kopland, desgevraagd weinig anders kan doen dan naar het gedicht wijzen en zeggen: ‘kennelijk dit.’ Einde terzijde).
Dichters die iets herkenbaars proberen te schrijven deugen dus niet, omdat ze geloven dat ze iets kunnen dat kennelijk niet mogelijk is. Ook lezers die graag iets van zichzelf willen herkennen in een gedicht, kunnen rekenen op een groot wantrouwen. Aldus dichteres Elma van Haren: ‘Schrijven voor een publiek dat zich meteen aangesproken voelt, dat zich voortdurend bevestigd wil zien in algemeen herkenbare gevoelens, vind ik geen boeiend uitgangspunt.’ Deze uitspraak is ook alweer zo’n klein monument voor vooringenomenheid. Grof, plat publiek, lijkt Van Haren te willen zeggen. Een beetje met jullie kleffe gevoelens aan mijn organische woekeringen zitten pulken. Ik doe dit niet voor jullie; ik doe het voor de onverstaanbaarheid. Donder op met jullie gevoel!Het is niet moeilijk om nog dozijnen van dat soort uitspraken uit de laatste tien, vijftien jaar te vinden. Ze komen allemaal neer op één geruststellende zekerheid: experimentele, onnavolgbare, ontregelend bedoelde poëzie is de best denkbare poëzie. Alle andere gedichten zijn leuk en aardig voor lezers die te stom zijn om zichzelf de juiste, academisch geschoolde leeshouding aan te meten. Belangrijk zijn ze in elk geval niet.
Onwetend van dit alles maakte ik eind vorige eeuw mijn entree in dit discours door aan een tijdschrift te vertellen dat poëzie volgens mij entertainment is. Als iemand dat platvloers vindt, voegde ik er behulpzaam aan toe, had hij volgens mij een te lage dunk van entertainment.
De uitspraak viel niet in goede aarde. ‘Elektriek versterkte podiumpoeet’ was zo ongeveer de aardigste kwalificatie die me destijds door Maarten Doorman, ooit treffend door Kees van Kooten omschreven als ‘hoogleraar-dichter-duizenddingendoekje’, werd toegevoegd. Goed, misschien had ik mezelf wat sterk uitgedrukt door te zeggen dat ‘academisch geneuzel’ indertijd de norm was, ‘poëzie die een normaal mens huilend van verveling in een hoek gooit.’ Ik wilde er vooral op wijzen dat de dichtkunst in haar ivoren toren zou blijven zitten als iedereen bleef volharden in de gedachte dat experimentele poëzie de belangrijkste poëzie op aarde is. We hebben het over een tijd dat je als dichter al werd verdacht van volksmennerij als je had ontdekt dat je, met het oog op de verstaanbaarheid van je voordracht, beter ín een microfoon kunt praten dan ernaast. Daarbij leek het me goed om in het oog te houden dat sommige lezers misschien wel van poëzie willen genieten (terzijde: dat kan trouwens ook prima kan met gedichten waar je geen touw aan vast kunt knopen. Ik ken verschillende mensen met zware, verantwoordelijke functies, die precies om die reden graag af en toe een dichtbundel ter hand nemen: omdat ze de hele dag al stapels papier moeten doorploegen en begrijpen, en zich daarvan even verlost voelen als ze bijvoorbeeld een bundel van Wouter Godijn of Frans Kuipers pakken – om maar eens twee dichters te noemen die je niet zomaar begrijpt, maar bij wiens gedichten je vele vermoedens kunt koesteren, zonder dat je verplicht bent om die vermoedens te reduceren tot een conclusie. Een goed gedicht is een mysterie, geen cryptogram. Einde terzijde).
Dertien jaar later vraag ik me nog altijd af wat er toch mis is met het schrijven van gedichten waarin een lezer eventueel iets van zichzelf zou kunnen herkennen. Gedichten waarin je geen emoties uit – wie heeft toch bedacht dat zoiets mogelijk is? – maar ze oproept. Gedichten die communiceren met een lezer, omdat ze een wereld scheppen waar die lezer zich in zou willen verdiepen. Gedichten waar je als lezer plezier aan zou kunnen beleven, of die je ontroeren. Niet omdat je zo nodig moet begrijpen wat er staat, maar omdat het gedicht iets in je wakker maakt – en naarmate je vaker die ervaring hebt bij steeds meer gedichten, kom je wellicht steeds meer open te staan voor gedichten waarmee je vroeger niets had, en leer je steeds meer gedichten begrijpen door ze te ervaren.
Het is 2012 en ik ben inmiddels aan het publiceren van mijn tiende dichtbundel toe. Wat belangrijke poëzie is weet ik nog steeds niet. Eigenlijk vind ik dat de term ‘belangrijk’ niets te maken heeft met poëzie. En ook al heb ik een veel bredere smaak voor poëzie dan tien jaar geleden: ik wil nog steeds dichters lezen die me aanspreken op mijn gevoel voor verwondering. In mijn geval zijn dat meestal dichters die niet bang zijn voor een verhalende laag in hun poëzie. Je vindt ze veel in het Engelse taalgebied: Philip Larkin, Mark Strand, Charles Bukowski, Billy Collins, John Burnside, Raymond Carver, om er een paar te noemen. Zij schrijven gedichten die altijd meer zijn dan het verhaaltje – maar ze laten het verhaal in hun gedichten ook niet weg ten gunste van het onzegbare. Ze omarmen, net als ik, het verhaal als vehikel voor de overige betekenislagen, net zoals je rijm, ritme en klank kunt omarmen als gereedschap om je gedicht mee te vormen.
Mede door deze voorkeur word ik nauwelijks geïnspireerd door de meeste Nederlandse dichters die door 'kenners' voor belangrijk worden versleten, zoals Robert Anker, Arjen Duinker, Nachoem Wijnberg, F. van Dixhoorn en andere kwalitatief indrukwekkende leveranciers van ‘non-believing’ poëzie. Ik vind deze dichters niet slecht: ze zijn, in hun niche, geweldig. Blijf hen vooral overladen met alle prijzen en beurzen die er straks nog resten. Wat ik slecht vind, is het onevenredig grote belang dat aan hun poëzie wordt toegekend. Daar kunnen ze zelf niets aan doen, maar het is wel een feit.
De kenner zou kunnen tegenwerpen dat ik kennelijk te lui ben om me te verdiepen in experimentele poëzie. Daar heeft de kenner gelijk in. Ik schrijf en lees nog steeds gedichten voor mijn plezier. Dichters waarvoor je eerst een universitaire master moet volgen, vallen nog steeds buiten mijn lustbeleving. Om met wijlen Susan Sontag te spreken: ‘Our task is not to find the maximum amount of content in a work of art, much less to squeeze more content out of the work than is already there. Our task is to cut back content so that we can see the thing at all.’ Als ik een gedicht te ver moet ontleden en daar een halve boekenkast bij moet omgooien voordat me er iets van begint te dagen, zie ik het gedicht niet meer.
Ik vind het doodzonde van mijn tijd om me te verdiepen in de organische geesteswoekeringen van een dichter die me niets beters te melden heeft dan het niets, de leegte, het onverstaanbare. Het onverstaanbare heb ik thuis ook, als ik door de WC-deur heen probeer te praten met mijn vriendin. Het onzegbare, dat roeren wij thuis door de muesli. Ik wil poëzie die me meeneemt naar een wereld die ik nog niet ken, naar een inzicht dat ik nog niet had, naar een uitzicht dat ik nergens anders had kunnen vinden. Ik wil een gedicht dat zo goed is, dat ik bijna vergeet dat het, zoals elk gedicht, een taalbouwsel is – een volmaakt bedrieglijke travestie waar het grote niets doorheen schijnt, een van zijn eigen leugenachtigheid getuigende leugen van inkt. Ik wil een gedicht als een huis, dat me op één steen na laat geloven dat ik er werkelijk in zou kunnen wonen.
Gelukkig zijn er ook tientallen dichters in Nederland en België die daartoe in staat zijn. Ik zou dan ook graag zien dat de komende tien VSB-poëzieprijzen, afhankelijk van wie er toevallig een bundel uit heeft, worden uitgereikt aan Menno Wigman, Frank Koenegracht, Ester Naomi Perquin, Tom Lanoye, Tjitske Jansen, Jules Deelder, Luuk Gruwez, Sjoerd Kuyper, Gerrit Komrij en, alsnog, aan K. Schippers, want die had hem dit jaar al moeten krijgen.
© Ingmar Heytze | info@ingmarheytze.nl | www.ingmarheytze.nl
bron
- de Contrabas: Nieuw gedicht Arjan Keene 20 Jan 2012
- de Contrabas: Nieuwe dichtbundel Menno Wigman (2) 20 Jan 2012
Enkele dagen geleden berichtten we over de indaling van Menno Wigmans langverwachte nieuwe bundel Mijn naam is Legioen (Prometheus, 2012).
Het nieuwste nieuws is dat die bundel een tweede druk gaat krijgen. Dat vertelde uitgever Mai Spijkers gisteren bij de presentatie van het boek in het uitgeverijpand aan de Herengracht te Amsterdam. Ook Tommy Wieringa bracht nieuws over de totstandkoming van dit boek: Wigman wist voor de totstandkoming ervan gemiddeld anderhalf woord per dag uit te persen.
Aanwezig op de presentatie, naast de al genoemden: Pieter Boskma, Tsead Bruinja, Roos Custers, Daan Doesborgh, Maarten Doorman, Gabriël Kousbroek (wiens autobiografie dit jaar verschijnt en die inderdaad het staatsieportret van de helaas afwezige-want-in-de-onderduik Louis Nanet geschilderd heeft) Job Lisman, Neeltje Maria Min, Mustafa Stitou, Willem Thies, Nick ter Wal e.v.a.
bron
- de Contrabas: Deelder en Gauthier: Totaal Loss 20 Jan 2012
Louis Gauthier maakte samen met Jules Deelder de cd (met tekstboek) Totaal Loss. Het is het tweede project van Gauthier, in 2009 verscheen Dansen op spijkers, een samenwerkingsverband met Gerrit Komrij.
Deelder is, nou ja, Deelder. Iemand die al bijna vijftig jaar met verve een rol speelt: die van dichter. Jammer genoeg heeft dat de aandacht soms wat weggetrokken van de dichter Deelder, die beter is dan zijn imago als bekende Nederlander zou doen denken.
Deze uitgave zet, ondanks of juist dankzij de muziek de poëzie van Deelder centraal. Misschien is het in dit verband goed om deze voorpublicatie te beluisteren. Een recensent van Oor zou hierover zeggen "dat tegen een muur van geluid de specifieke stemkwaliteiten die de dichter al jaren kenmerken beter uitkomen" of iets dergelijks.
Wat ik daarmee wil zeggen: Deelder doet het goed bij muziek. In elk geval: bij deze muziek.
Matthijs van Nieuwkerk zou, volgens de website, gezegd hebben: "Met deze unieke uitgave is klassieke poëzie weer toegankelijk geworden voor nieuwe generaties."
Dat ik nogal barok gezegd, maar toch heeft hij over dat "klassieke poëzie" wel gelijk: als je in het bijgevoegde tekstboek de teksten 'Spartageest', 'Rotown magic' ("Rotterdam is niet te filmen"), 'Voor Ari', 'Gedicht tijdens het wachten', 'Vader op zoon', 'Als ik de waterpijp hoor borr'len' en 'Sturm und Drang' leest (en dat zijn zo ongeveer álle tekststen die het boek bevat), dan besef je: Deelder verdient zo langzamerhand een prijs. Een oeuvreprijs.
Moge Totaal Loss weer een stap zijn op weg naar die erkenning.
bron
- de Contrabas: Recessiegedicht Heytze 20 Jan 2012
- de Contrabas: Afscheidsfilm Antwerpse stadsdichter 20 Jan 2012
- de Kleine Zaal: [nt] 19 Jan 2012
- de Contrabas: EXIT POËZIERAPPORT 19 Jan 2012
- Door Philip Hoorne -
Op 1 oktober 2004 plaatste ik op een blog die ik Poëzierapport noemde een recensie van de bundel Liefde, tenzij anders vermeld van Dimitri Verhulst. Ruim driehonderd poëzierecensies volgden. Die werden geschreven door een tiental medewerkers, die graag aan het project meewerkten, de ene al wat gretiger dan de andere. Nederlanders zowel als Vlamingen, met uiteenlopende visies op poëzie. Aanvankelijk was het vrijwilligerswerk. Later kreeg Poëzierapport van het Vlaams Fonds voor de Letteren een luttel bedrag als ondersteuning voor de werking. Dit bedrag werd na één jaar al gehalveerd en in 2011 kreeg Poëzierapport ineens niets meer, hoewel we jaar na jaar rekening hielden met de niet altijd consequente aanbevelingen van het Fonds.
Voor het jaar 2011 werd de beslissing in beraad gehouden. We - Chrétien Breukers, beheerder van deze site waar Poëzierapport een jaar geleden naartoe verhuisde, en ikzelf - werden uitgenodigd om onze zaak te gaan verdedigen. Op 6 december 2011 spoorden we naar het VFL-hoofdkwartier in Antwerpen. We werden er geconfronteerd met een legertje commissiemensen. Het was een niet onaangenaam onderhoud. Alras echter volgde het mes in onze rug. Ziek word ik als ik terugdenk aan die hypocriete commissiekoppen, die ons op die druilerige Sinterklaasdag lieten geloven dat het wel goed zou komen.
Daarom heb ik besloten Poëzierapport op te blazen. Ik ben het spuugzat. Alle recensies – u vindt de volledige lijst hieronder – zullen van het internet gehaald worden. Als de wijze heren en dames van het Vlaams Fonds voor de Letteren menen dat Poëzierapport overbodig is, dan zal ik hen volgen in hun wijsheid.
Poëzierapport was meerstemmig, maar bovenal onafhankelijk. Daar houden fondsmensen niet van. Fondsmensen willen zelf schrijvers en dichters maken en schrijvers en dichters kraken volgens hun eigen obscure, bij gekonkelfoes vastgelegde, ongeschreven ons-kent-ons-regeltjes. In de aanbevelingen ging het Fonds zover ons op te leggen wat we wel en niet moesten bespreken. Daar heb ik natuurlijk nooit gevolg aan gegeven. Bij ons was er niet alleen aandacht voor de vriendjes van het Vlaamse poëzie-establishment à la Bogaert, Lauwereyns of Nolens, maar ook aandacht voor - ik zeg maar wat - Cornillie, De Crée of Van meenen (om me tot enige Vlaamse namen te beperken).
Dank aan de lezers en sympathisanten van Poëzierapport. Ze waren talrijk. Talrijker dan we ons realiseerden, want behalve lezers uit het literaire milieu hadden wij vooral stille, anonieme lezers, die wars van de poëziepolitieke spelletjes die zich ver van hun bed afspelen, gewoon graag eens een gedicht lezen. Van Paul Bogaert, Jan Lauwereyns of Leonard Nolens, maar evenzeer van Patrick Cornillie, Marleen de Crée of Jan van meenen. Lezers die, als een update even op zich liet wachten, mailden met de vraag waar we bleven.
Er komt een tastbare herinnering aan Poëzierapport. Dit najaar verschijnt bij Uitgeverij Van Gennep een boek bevattende een ruime keuze aan recensies uit Poëzierapport, met een voorwoord geschreven door Gerrit Komrij.
Werden besproken op Poëzierapport:
Paul Demets - De bloedplek
Tonnus Oosterhoff - Leegte lacht
Rikkert Zuiderveld - Adam zaait radijzen
Frank Koenegracht - Lekker dood in eigen land
Sylvie Marie - Toen je me ten huwelijk vroeg
Lies Van Gasse & Peter Theunynck - Waterdicht
Max Temmerman - Vaderland
Heleen Bosma - Oostenwind
Marc Cosyns - Laatstleden / Jongstleden
Renée Luth - Pingpongtong
Diverse auteurs - Oog in oog, Dichters in de Prinsentuin -
Peter W.J. Brouwer - Landdieren
Martijn Benders - Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem
Herta Müller - De rokkenjager en diens bijdehante tante
Sacha Blé - Zie maar
De Jeugd van Tegenwoordig - Handboek der jeugd
Hester Knibbe - Het hebben van schaduw
Rob Schouten - Vuil goed
Peter Ghyssaert - Ezelskaakbeen
Wiljan van den Akker - Hersenpap
Piet Gerbrandy - Smijdige witheid
Benno Barnard - Krijg nou de lyriek
Koenraad Goudeseune - Dichters na mij
Toon Tellegen - Schrijver en lezer
Ellen Deckwitz - De steen vreest mij
Anton Korteweg - Voor mannen is ’t niet erg
Reinout Verbeke - De achterkant van flatgebouwen
Jan H. Mysjkin - Rekenkunde van de tastzin
Patty Scholten - De ziel is een pannenkoek
Guido Lauwaert - Mijn tweede stem
Ted van Lieshout - Driedelig paard
Kila & Babsie - Stereo
Arnoud Rigter - Opwenteling
Leonard Nolens - Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen
Henk Bernlef, Remco Campert, Theo Loevendie - CC, een correspondentie
Patrick Cornillie - Stapvoets verkeer
Maaike Meijer - M. Vasalis, een biografie
Vic van de Reijt - Elsschot, Leven en werken van Alfons de Ridder
Armando - Ze kwamen
Job Degenaar - Vluchtgegevens
René Karels - Mijn aardse leven vol moeite en strijd, Raden Mas Noto Soeroto, Javaan, dichter, politicus, 1888 - 1951
Krijn Peter Hesselink - De uitputting voorbij
Johanna Geels - Detox
André van der Veeke - Blauw als ijs
Maarten Inghels - Waakzaam
Hagar Peeters - Wasdom
Bernhard Christiansen - Nu daarentegen
Anne Vegter - Eiland berg gletsjer
Jan Lauwereyns - De smaak van het geluid van het hart (Gedichtendagessay)
Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries (red.) - De 100 allermooiste gedichten van de Europese poëzie
Coen Peppelenbos - Vallende mannen
Meindert Talma - Laat het orgel jammeren
Maud Vanhauwaert - Ik ben mogelijk
Mieke van den Berg en Dirk Idzinga - De sluier weggevallen, Truus Gerhardt: biografie en verzamelde gedichten
Vrouwkje Tuinman - Wat ik met de sleutel moet
Peter Theunynck - Naar een nieuw zeeland
Remco Campert - Een oud geluid
John Burnside - Het bal in de inrichting
Arnoud van Adrichem – Een veelvoud ervan
Marc Tritsmans – Studie van de schaduw
Lieke Marsman – Wat ik mijzelf graag voorhoud
H. H. Ter Balkt – Onder de bladerkronen
F.L. De Laere – Secuur
C. Buddingh’ – Buddingh’ gebundeld
Martin Reints – Lopende zaken
Bergman – Nagelaten werk
Delphine Lecompte – Verzonnen prooi
Eva Gerlach – Het gedicht gebeurt nu
Dennis Gaens – Ik en mijn mensen
Gerrit Komrij (red.) – Clubsandwich (2 delen)
Onno Kosters / Dick Groot – Anatomie van het slik
Het Liegend Konijn 2 / 2010
Piet Gerbrandy – Morgen ben ik vrij
Wim Brands – Neem me mee, zei de hond
Lies Van Gasse – Sylvia
Sasja Jansen – Wie wij schuilen
Martijn den Ouden – Melktanden
Victor Manuel Mendiola (samenst. en inl.) / Stefaan van den Bremt (vertaling) – Anders gezongen, Bloemlezing uit de Mexicaanse poëzie 1945-2003
Tsead Bruinja – Overwoekerd
Erik Lindner – Terrein
F. Starik – Victoria
Dimitri Antonissen – Schrap me
Willem Barnard – Een zon diep in de nacht
Eva Gerlach – Stapvoets
Pim te Bokkel – de dingen de dingen de dans en de dingen
Hélène Gelèns – zet af en zweef
Joke Van Leeuwen / Bob Takes – Hoe is ‘t
Floor Buschenhenke – Eiland op sterk water
Gerrit Krol – De industrie geneest alle leed
Steven Graauwmans – Reservisten van maandag
Mark Boog – Er moet sprake zijn van een misverstand
C.O. Jellema – Een web van dromen
Yerna Van Den Driessche – Reconstructie
Charles Ducal – Alle poëzie dateert van vandaag (Gedichtendagessay)
Peter Swanborn – Tot ook ik verwaai
Bob Van Laerhoven (samenst.) – Er is overal meer ginder dan hier
Rodaan Al Galidi – Digitale hemelvaart
NoN – Waanwezig
Delphine Lecompte – De dieren in mij
Henk van der Waal & Erik Lindner – De kunst van het dichten (essays)
Leonard Nolens – Dagboek van een dichter
Kluger Hans 3
Paul Bogaert – de Slalom soft
Het Liegend Konijn 2 / 2009
Diverse auteurs – Boest
Ilja Leonard Pfeijffer – De man van vele manieren
Jabik Veenbaas – De zon, het smalle bed, mijn lichaam
Jozef Deleu – Groot Verzenboek
Diverse auteurs – Flarf, een bloemlezing
Hester Knibbe – Oogsteen
Gwy Mandelinck – Schemerzones
Bart Stouten – Een Boek van Tijd
Erik Jan Harmens (samenst.) – Ik ben een bijl
Het Liegend Konijn 1 /2009
Charles Ducal – Toegedekt met een liedje
Liesbeth Lagemaat - Handlanger – Het witte kind
Menno Wigman - De droefenis van copyrettes
Jozef Deleu - Onbeschut
Rutger Kopland - Toen ik dit zag
Rozalie Hirs - Geluksbrenger
Rense Sinkgraven - Sloop de stad met tedere woorden
Kasper Peters - Kanaalkoorts
Marcel Obiak - Een eeuwig eind
Lucas Hirsch - tastzin
David Troch - laat[avond]taal
Eva Cox - een twee drie ten dans
Ester Naomi Perquin – Namens de ander
J.A. Dèr Mouw - Je bent de wolken en je bent de hei
J. C. van Schagen - Ik ga maar en blijf
Hanz Mirck – Archiefvernietiging
Erik Jan Harmens – Gospels en psalmen
Benne van der Velde – Dit harnas van kippenvel
A. Marja – Ergens halverwege zweven
Rodaan Al Galidi – De laatste slaaf
Frank Pollet – aLDiDa
Jaap Robben – Zullen we een bos beginnen?
Eva Gerlach – Het punt met mij is dat ik alles kan
Maarten Inghels – Tumult
Paul Verbruggen – Er is iets om de dingen heen
Annemieke Gerrist – Waar is een huis
Leonard Nolens - Woestijnkunde
Marleen de Crée – Hinkelspel
Chrétien Breukers – Tongebreek & Niemendal
Willem Thies – Na de vlakte
Pieter Boskma – Het violette uur
Roland Jooris – De contouren van het verstrijken
Hagar Peeters – Loper van licht
Gerrit Kouwenaar – Vallende stilte
Het Liegend Konijn 2 / 2008
Bernlef – Dwaalwegen
Wietske Loebis – Cavia’s begin september
Hester Knibbe – Bedrieglijke dagen
J. Slauerhoff – Verzamelde gedichten
Bart Meuleman – omdat ik ziek werd
Erik Solvanger – Slijp het sternum
Hilde Pinnoo – Zonder testament
L. Th. Lehmann – Laden ledigen
Astrid Lampe – Park Slope
Samuel Vriezen – 4 zinnen
Ivo de Wijs & Theo Danes – Olympische verzen
Frédéric Leroy – Lucifer en het grote belang (van kleine rituelen)
Carel ter Linden – Om een zin
Tsead Bruinja – De geboorte van het zwarte paard
Alexis de Roode – Stad en land
Hans van Willigenburg – Objectief verzuipen
Frank van Pamelen – Ikea en andere verzen
Daniël Dee – Koffiedik zingen
Arnoud van Adrichem – Vis
Adriaan Jaeggi – Het is hier altijd laat van licht
Kurt De Boodt – Waarop de klok ontwaakt
Wiljan van den Akker – De afstand
Ingmar Heytze – Elders in de wereld
Tonnus Oosterhoff – Ware grootte
Willem Vermandere – Van Blanche tot Blankeman
Stijn Vranken – Vlees mij!
Luuk Gruwez – Lagerwal
Maria van Daalen – De wet van behoud van energie
Cees Nooteboom – Tumbas
Bart Moeyaert & Elisabeth Broekaert – Vlees is het mooiste
Eddy van Vliet – Verzamelde gedichten
Lianne Sasja van Kalken – Bar
Benno Barnard – Het tongbotje
Sasja Janssen – Papaver
Peter Theunynck – Traangasmaatschappij
Ronny De Schuyter & Peter Theunynck (samenst.) - 100 lekkere gedichten
Revolver 136 – Japan, het stille water
Remco Campert – Nieuwe herinneringen
Ester Naomi Perquin – Servetten halfstok
Peter du Gardijn – Onder de dieren
Rogi Wieg – De kam
Hendrik Carette – Gestolen lucht
Pat Donnez – Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat)
F. van Dixhoorn – Twee piepjes
Kees Klok – In dit laagland
Ruth Lasters – Vouwplannen
Chaja Polak – Verslag van een onaanvaarde dood
Ed Smet – Pessoa loopt door de straten van New York
Menno Wigman – De wereld bij avond & Het gesticht
Onno Kosters – De grote verdwijntruc
Geert Jan Beeckman – Diep in het seizoen
Anne Büdgen – Ze hapte van een tomaat
Pim te Bokkel – Wie trekt de regen aan?
F. Starik – Songloed
Jaap Robben – De nacht krekelt
Wiel Kusters – Zielverstand
Bernard de Bruyckere – De nieuwe keizer spreekt
Norbert de Beule – Ebdiep
Mark Insingel – Iets
Mark van Tongele – Met de plezierboot mee
Halil Gür – Stamppot voor iedereen
Bart Stouten – Happy Christmas, Happy New York
Xavier Roelens – Er is een spookrijder gesignaleerd
Jane Leusink – Erato
Bernard Wesseling Focus
Diverse auteurs – Het huis is groter aan de binnenkant
Vrouwkje Tuinman – Receptie
Leo Vroman – De mooiste gedichten
Frédéric Leroy – gedichten
Marcel van Maele – Over woorden gesproken
Jan-Willem Anker – Donkere arena
Al Galidi – De herfst van Zorro
Ramsey Nasr – Onze-Lieve-Vrouwe-Zeppelin, Antwerpse gedichten
Toon Vanlaere – De rok van de archeologe
Erwin Mortier – Voor de stad en de wereld
Ruben van Gogh – Klein Oera Linda
Cyriel – Vrouwen
Florence Tonk – Anders komen de wolven
Froukje van der Ploeg – Kater
Els Moors – Er hangt een hoge lucht boven ons
Bernard Dewulf – Blauwziek
Erik Menkveld – Prime time
Jane Leusink – Mos en gladde paadjes
Martin Reints – Ballade van de winstwaarschuwing
Maarten Doorman – Blindegang ster
Wim Brands – Ruimtevaart
Leonard Nolens – Een dichter in Antwerpen
Leonard Nolens – Laat alle deuren op een kier
Herlinda Vekemans – Versneden
Anneke Claus – Bonzai!
Astrid Lampe – Spuit je ralkleur
Marc Tritsmans – Warmteleer
Pom Wolff – Je bent erg mens
Reine de Pelseneer – Doorgrond
Liesbeth Lagemaat – Een grimwoud in mijn keel
Tjitske Jansen – Het moest maar eens gaan sneeuwen
Alexis de Roode – Geef mij een wonder
Thomas Möhlmann – De vloeibare jongen
Wouter Godijn – Kamermuziek of de weg naar de onverschilligheid
Hester Knibbe – De buigzaamheid van steen
Sander Koolwijk – Onder dak
Robin Block – Bestialen
Peter de Groot – Een nieuwe God / De nieuwe regels
Roland Jooris – Als het dichtklapt
Piet Gerbrandy – Drievoudig feilloos vals
Rense Sinkgraven - Bombloesem
Koenraad Goudeseune – Zen uit eigen werk
Anton van Wilderode – Nagelaten gedichten
Sven Cooremans – Erlangen 7
Rozalie Hirs – [Speling]
Peter Ghyssaert – Kleine lichamen
Daniël Dee – Vierendeel
Danny Degenaar – Eternelle lust geen bollen
Karel Wasch – Begane grond
Bart Meuleman – hulp
Victor Schiferli - Verdwenen obers
Erik Metsue - Woekering
Ilse Starkenburg - In plaats van alleen
Margreet Schouwenaar - Valtijd
Remco Ekkers - De Alice voorbij
Hans Groenewegen - En gingen uit sterven
Diana Ozon - Bronwater
Lucienne Stassaert - In aanraking
Gerrit Komrij - Fata morgana
Marleen de Crée - Vita vita
Lucas Hüsgen - Deze rouwmoedige schoonheid
Peer Wittenbols - Kop van het hoofd
Anne van Amstel - Het oog van de storm
Hanna Kirsten - Elders wonen
Guus Middag (inl.) - Het kleinste gedicht
Driek van Wissen - De dichter des vaderlands (zijn mooiste gedichten, gekozen door Jean-Pierre Rawie)
Erik Lindner - Tafel
Jules Deelder - Vrijwel alle gedichten & Zonder dollen
Herman Gorter - Verzen
Erik Jan Harmens - Underperformer
Joost Zwagerman - Roeshoofd hemelt
Ilja Leonard Pfeijffer - In de naam van de hond (de grote gedichten)
Claude van de Berge - White-out
Jan van meenen - Weerwerk
Jan Baeke - Iedereen is er
Van der Graft - Oevertaal, gevolgd door het essay ‘Onder de wolk’
Maarten De Pourq en Xavier Roelens (samenst.) - Op het oog (21 dichters voor de 21e eeuw)
Micha Hamel - Alle enen opgeteld
Judith Herzberg - Soms vaak
Henk van Zuiden - Slaapkus
G.M. Berelaf - Het harnas
Frederik Lucien De Laere - Paniek in het circus
Rutger Kopland - Een man in de tuin
Tsead Bruinja en Hein Jaap Hilarides (red.) - Droom in blauwe regenjas / Dream yn blauwe reinjas
Pablo Neruda - Boek der vragen
Tsead Bruinja - Batterij
Jean-Pierre Rawie - Verzamelde verzen
Onno Kosters - Callahan en andere gedaanten
Huisdichter Cornelis! - Over waaierloze wegen
Luuk Gruwez - Allemansgek
Menno Wigman - Dit is mijn dag
Jan Cremer - Verloren gedichten
René van Loenen - Mooi voetenwerk
Ingmar Heytze - Nietzsche schrijft een laatste vers
Catharina Blaauwendraad - Niet ik beheers de taal
Mara Grimm (red.) - Lyrisch over eten
Kasper Peters - Hellevaartsdagen
Wouter Godijn - De karpers en de krab
Dimitri Verhulst - Liefde, tenzij anders vermeld
bron
- de Contrabas: Piet Gerbrandy's baan op de tocht 19 Jan 2012
Foliaweb en Tzum (en diverse andere kranten en websites) brengen het nieuws dat de Universiteit van Amsterdam na een aantal reorganisaties overgaat tot het ontslaan van twee docenten, onder wie Piet Gerbrandy. Op Foliaweb staat het aldus samengevat:
"De aangekondigde intensieve samenwerking tussen de Faculteit der Geesteswetenschappen (FGw) en de Faculteit der Letteren van de VU op het gebied van de oudheid en van de archeologie kan ook personele gevolgen hebben. UD en classicus David Rijser, begin deze maand nog genomineerd als Docent van het Jaar, en Piet Gerbrandy, docent klassiek en middeleeuws Latijn, worden na zes jaar en drie contracten ontslagen. Rijser werd uiteindelijk niet verkozen tot Docent van het Jaar, maar kreeg wel de 'Prijs voor de Publieke Intellectueel'. Volgende week is er een hoorzitting waarbij UvA-juristen zullen toelichten waarom de twee moeten vertrekken en hun advocaten zullen verdedigen waarom juist niet."
bron
- de Contrabas: Halbe Zijlstra's hoofdpijndossier 19 Jan 2012
Op het Cultureel Persbureau bericht Wijbrand Schaap over de nieuwe wet op wat ooit de Nederlandse cultuur had kunnen worden. Hij doet dit hier:
"Veel toe te lichten op de toelichting van Halbe Zijlstra hebben we niet. Anders dan dat de staatssecretaris van voorheen cultuur een bijna leesbare zucht van verlichting slaakt nu hij het hoofdpijndossier 'kunsten' bijna kan afsluiten. Zijn 'meesterstuk', de wijziging van de wet op het specifiek cultuurbeleid, ligt bij de kamer en als die (hamerstuk) is goedgekeurd, hoeft de staatssecretaris eigenlijk niets meer te doen."
En wijst meteen op een neveneffect van één "gevaarlijke zin: "In de cultuursector werken veel parttimers. Het is denkbaar dat zij voor een groter deel op andere inkomstenbronnen aangewezen raken."
bron
- de Contrabas: Avondnieuws: 18.1.2012 18 Jan 2012
Een enorm fijn artikel voor de collega's van OoteOote: "It seems a bit strange to me that the media carefully warn about and label any content that involves sex, violence or strong language — but there's no similar labelling system for, say, sloppy journalism and other questionable content." Op de website van Tom Scott. Klik ook even op het plaatje linksboven.
Een beetje melig, maar toch leuk. 'How to write' van Dan Bergstein op de website bnreview.
De zombies zijn onder ons. Overal. Lees maar, op de website van de New York Times.
En ja hoor: Mein Kampf, overal te downloaden en/of te koop (in schimmige achteraf-antiquariaten, op zondagsmarkten et cetera, of gewoon te leen bij opa of oudoom) wordt eh... gepubliceerd. Meldt deze Nieuw-Zeelandse website.
Nick ter Wal over een kwestie die iedere boekhandelaar of antiquaar wel zal herkennen. Het gelul om een aankoop heen.
Gezien, een wat moderner boekhandelsprobleem, op de website van de Los Angeles Times. Niet lief:
bron
- de Contrabas: Laatste Uitgelezen-column De Craemer 18 Jan 2012
"Er is Gino, de wielerliefhebber die naar eigen zeggen de grootste Eddy Merckx-fan ooit is en een indrukwekkende collectie wielertruien van zijn held bezit. Gino zie ik zijn oude moeder vergezellen wanneer zij boodschappen doet, elk hun fiets aan de hand. Hij is een lezer van deze krant en volgt al mijn schrijfsels, en steekt soms van de overkant de straat zijn duim in de lucht: 'Goed gedaan, meiske!'" Met de column 'Nieuwe bottines' neemt Ann de Craemer afscheid van het katern Uitgelezen van De Morgen. Binnenkort verhuist zij naar het vernieuwde cultuurkatern, dat op maandag een column zal brengen. Weg bij het ene katern, terug bij het andere. All's well that ends well.
bron
- de Contrabas: Domweg alleen gelukkig in mijn gedichten 18 Jan 2012
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen (2011) is in feite de 25ste herziene druk van Domweg gelukkig, in de Dapperstraat (1990)
Door Bart FM Droog
Voor me liggen twee bloemlezingen. Het zijn de pas verschenen bloemlezing Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. De bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur. Bijeengebracht en ingeleid door Menno Wigman en Rob Schouten (Prometheus, Amsterdam, 2012 [= 2011]).
Het is geen nieuwe bloemlezing - het is een remake van het andere boek dat voor me ligt, Domweg gelukkig, in de Dapperstraat. De bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur. Bijeengebracht en ingeleid door C.J. Aarts en M.C. van Etten (Bert Bakker, Amsterdam, 1990; waarvan de 24ste verbeterde en uitgebreide druk in 2008 verscheen - zelf bezit ik de versie uit 1998). Of, om het in het vakjargon te zeggen: Alleen in mijn gedichten is in feite de 25ste herziene druk van Domweg gelukkig.
Dat dit niet in de inleiding van Alleen in mijn gedichten staat is... merkwaardig. Want er staat wel in dat bij het samenstellen van dit recente werk gekeken is naar Domweg. Omdat de eigenlijke inhoud van beide boeken - de gekozen gedichten - op veel punten nauwelijks van elkaar verschilt en zelfs fouten uit het oorspronkelijke boek zijn overgenomen in het 'nieuwe' snap ik niet waarom de uitgeverij - voor de leken: uitgeverijen Prometheus en Bert Bakker zijn in feite één uitgeverij, onderdeel van het PBO-concern) het juist uitgekomen boek niet simpelweg en naar goed gebruik Domweg gelukkig, in de Dapperstraat (25ste herziene editie) heeft genoemd.
Ik refereer in deze aan de prachtige bloemlezingenreeks Dichters van deze(n) tijd. In 1894 verscheen daarvan de eerste druk. De laatste druk, de 25ste herziene, verscheen in 1994. Om de zoveel tijd maakte de ene samensteller plaatst voor de andere (eerst was dat J.N. van Hall, opgevolgd door J. Prinsen J.Lz., opgevolgd door J. Greshoff, opgevolgd door D.A.M. Binnendijk, opgevolgd door Paul Rodenko, enzovoort, tot en met Hugo Brems, die tekende voor de laatst verschenen editie.
Een van de mooiste aspecten aan deze reeks was dat elke nieuwe samensteller rekening hield met de werkwijze van z'n voorgangers. Er was dus geen enkele reden om met de aanstelling van een nieuwe samensteller een nieuwe titel te verzinnen. Dat bleek óók niet nodig toen de Moeder aller moderne bloemlezers, Victor E. van Vriesland, de samenstelling van de Spiegel van de Nederlandsche Poëzie (zoals het aanvankelijk heette) overdroeg aan Hans Warren. Continuïteit, dat is een groot goed - zeker als je stelt dat je middels deze bloemlezing de canon van de Nederlandse poëzie' aanbiedt, zoals Wigman en Schouten in 'hun' bloemlezing doen.
'Hebban olla vogala' - vroeger het begingedicht, nu het begingedicht. Oké, bij gebrek aan keuze geen opties voor verandering, hier. Nieuw: Hendrik van Veldeke. Dan: 'Van den vos Reynaerde' - ander fragment. Nieuw: Karel ende Elegast. Dan: Beatrijs - zelfde fragment, en, heel opvallend, exact dezelfde hertaling. Vervolgens is een aan Jan van Brabant toegeschreven vers een pagina opgeschoven en komen we op iets wat ik niet kan vatten:
Alle dinge
Zijn mi te inge,
Ik ben zo wijd:
Om een ongeschepen
Heb ik begrepen
In eeuwige tijd
is uit deze herziene versie van Domweg gelukkig verdwenen! En vervangen door een ander Hadewijch-brouwsel. Een gedicht dat miljoenen Zeverlanders uit hun hoofd moesten stampen en alleen daardoor al tot de canon behoort, hoppakee, weg ermee. Nee - hier staakt het verstand.
Enfin, laten we een sprong maken naar iets moderne tijden. Piet Paaltjens. Het was: 'De 'zelfmoordenaar' En het zijn 'Immortellen', 'Aan Rika' en 'De zelfmoordenaar geworden.' Jacques Perk. Het waren 'Mathilde' en 'Iris' en het zijn 'Aan de sonnetten' en 'Iris' geworden. Willem Kloos - het waren er vier, 'Sonnet', 'Avond', 'Dood-gaan' en 'Van de zee' en het zijn er vijf geworden: 'Sonnet', 'Avond', 'Dood-gaan', 'Van de zee' en het tenenkrullende 'Ik ween om bloemen in de knop gebroken'. Brrrr.
Op dit punt begin ik echt af te haken - waarom Kloos anno 2011 opwaarderen? De samenstellers zeggen in de inleiding terecht dat de 'canon (...) een beweeglijk instituut [is]', een huis waar men [i.e.= een gedicht] binnengaat en dat men soms ook weer verlaat.'
Als in een in 2011 herziene editie van een canoniserende bloemlezing uit 1990 het Kloosgehalte stijgt - waarmee de ruimte voor nieuwer werk daalt, dan klopt er iets niet. Neem bijvoorbeeld 'De Tuinman en de dood', waarvan men jarenlang dacht dat het een origineel vers van P.N. van Eyck zou zijn. Intussen is gebleken dat Van Eyck het simpelweg vertaald heeft en - zonder over dat vertaalaspect te vertellen - het presenteerde als 'eigen werk' Zoiets heet: plagiaat.
Heel terecht heeft Mario Molegraaf het dan ook niet opgenomen in de reguliere inhoud van de laatste editie van de Spiegel (2005). Wel heeft hij het in de appendix opgenomen, mét het plagiaatverhaal. Omdat nu eenmaal heel veel mensen bekend zijn met dat gedicht. Maar wat doen Wigman en Schouten anno 2011? Zonder enig commentaar wordt het in Alleen in mijn gedichten kan ik wonen afgedrukt. En dat in een anthologie die claimt de poëziecanon te zijn? Ik kan dit niet verklaren.
Al even vreemd is dat het vers 'Spleen' ('Ik wou dat ik twee hondjes was') is opgenomen. 'Godfried Bomans [?]' staat er in de verantwoording afgedrukt. Hoe onnozel kan je zijn. Wie regels van dit 'misschien' door Bomans geschreven kwatrijn op Google uitlaat leest dit:
Spleen
(...) Ik wou dat ik twee hondjes was,
dan kon ik samen spelen.
(...) Ich möchte gern zwei kleine Hunde sein
und miteinander spielen.
Slotregels van ''Ballade der groszen Müdigkeit' van Friedrich Torberg (1908-1979). Je hebt als samenstellers van bloemlezing a la Domweg in de Dapperstraat toch de plicht zoiets te vermelden?
Maar soit, door naar de jongsten in beide anthologieën. In mijn editie, uit 1998, van Domweg gelukkig is dat Jean Pierre Rawie (1951). Waarmee de originele samenstellers een signaal hebben afgegeven: het werkt langzaam in de poëzie. Er gaan heel wat jaren overheen voordat een gedicht 'bekend' genoemd kan worden. In 1998 telde daarom de 'jongste dichter' 47 jaren.
Je zou dus verwachten dat de huidige samenstellers die richtlijn van hun directe voorgangers overgenomen zouden hebben, en dat de jongsten met werk in Alleen in mijn gedichten ook rond de 47 zouden zijn. Maar nee: na Rawie (waarvan nog net als in 1998 de verkeerde geboortedatum 1949 staat vermeld - een veeg teken dat duidt op hersenloos overschrijfgedrag) zijn Martin Reints, Willem Jan Otten, Charles Ducal, Miriam Van hee, Joke van Leeuwen, Luuk Gruwez, Tonnus Oosterhoff, Elma van Haren, Pieter Boskma, Arjen Duinker, Jotie T'Hooft, Esther Jansma, Tom Lanoye, K. Michel, Nachoem Wijnberg, Rogi Wieg, Peter Ghyssaert (1966), Ilja Leonard Pfeijffer (1968), Ingmar Heytze (1970), Hagar Peeters (1972) en Mustafa Stitou (1974) toegevoegd.
Nu heb ik, door onderzoek voor de Nederlandse Poëzie Encyclopedie, waarvoor ik alle bloemlezingen die verschenen vanaf 1 januari 1900 bestudeer en tevens bij elk afzonderlijke solobundel de herdrukken en (indien bekend) de oplagegrootte noteer, een redelijk zicht op de verspreiding van het werk van al deze dichters. En het spijt me om te zeggen: onder deze 'jongelingen' bevinden zich zeker drie waarvan het werk bij een iets breder publiek zo goed als onbekend is. En dan druk ik me nog heel optimistisch uit.
Eerder in deze bespreking schreef ik dat door meer ruimte te geven aan dinosauriërs als Kloos minder ruimte overbleef voor 'nieuw' talent. Dat, getuige bovenstaande alinea, wel degelijk een plaats gekregen heeft. Hoe dat mogelijk is? Wel, de samenstellers hebben ervoor gekozen de drilboor te zetten in de oorspronkelijk zeer uitgebreide verantwoording. Waar je in Domweg, als geïnteresseerd lezer, nog boeiende details over de gedichten kon vinden, zijn die in Alleen hardvochtig weggebeiteld en rest niets dan basic broninformatie.
Slordig in elkaar gezet is Alleen in mijn gedichten ook.. Juist in een 'canonieke' bloemlezing verwacht je extra zorg aan de verantwoording. Maar nee: van Ilja Leonard Pfeijffer denken de samenstellers dat hij als achternaam Leonard Pfeijffer heeft. Hij is dan ook terug te vinden onder de L. Jacob Israël de Haan bevindt zich onder de I. Enzovoort.
Kortom: een hele rare canonieke bloemlezing, deze verkeerd getitelde herdruk van Domweg gelukkig, in de Dapperstraat. Ik zou zeggen: vernietigen die hap en vlieg C.J. Aarts en M.C. van Etten maar weer in ter fabricage van een juiste, fatsoenlijk herziene versie van de 25ste herdruk.
De twee afbeeldingen van Dichters van deze tijd zijn van de 16de druk (1948) en van de 21ste druk (1964). De foto van Kloos stamt uit c. 1938.bron
- de Contrabas: Sneek brandpunt Gedichtendag 2012 18 Jan 2012
Grootste evement Gedichtendag te Sneek
donderdag 26 januari 2012In het kader van Gedichtendag 2012 organiseert Literair Tijdschrift ensafh de Grote Gedichtenavond/Gedichtejûn. Tijdens dit grootste dichtevenement van de dag waarop poëzie in Vlaanderen, Friesland en overige gebiedsdelen centraal staat zal een vijftig dichters kort en bondig uit eigen werk voordragen.
Met: Heidi Andringa, Wim Beckers, Dien de Boer, Piter Boersma, Egbert Born, Han Bosma, Ibo-Jan Bosma, John Bosma, Piet Bult, Job Degenaar, Michel Dijkstra, Tim Dijkstra, Bart FM Droog, Melvin van Eldik, Anne Feddema (opname), Edwin de Groot, Marijke de Haan, Tsjisse Hettema, Hein Jaap Hilarides, Wopkje de Jong, Simen de Jong, Hiltsje Jongsma, Sigrid Kingma, Michiel Klont, Marc Kooij (dj Keu), Jan Kooistra, Aafke Koster, Wietske Krist, Aggie van der Meer, Simon Oosting, Peter Popma, Ridzert Postma, Kate Schlingemann, Jacobus Q Smink, Anske Smit, Geart Tigchelaar, Henk van der Veer, Tryntsje van der Veer, Siem de Vlas, Daam de Vries, Cornelis van der Wal, Hans Westin, Syds Wiersma e.v.a.
Café Vellinga, Korte Veemarktstraat 11, 8601 EV Sneek
Aanvang: 20.00 uur, donderdag 26 januari 2012
Toegang gratis
Nadere informatie: www.ensafh.nl, 058-2501475, ensafhpoezij@gmail.combron
- de Contrabas: De Moeder aller Prijsvragen 18 Jan 2012
Bij het vooronderzoek voor de Nederlandse Poëzie Encyclopedie (1900-20nu) duiken soms opmerkelijke zaken op. Zoals onderstaande, in Het Nederlandsche Boek 1935 (12de uitgaaf, Nederlandsche Uitgeversbond, Amsterdam, november 1935) - een mooi vormgegeven tegenhanger van de Brinkman's Catalogus.
'Het bestuur van den Nederlandschen Uitgeversbond schrijft de volgende prijsvraag uit:
“Ontwerp een prijsvraag, geschikt om door het bestuur van den Nederlandsche- Uitgeversbond in een of meer volgende jaargangen van den catalogus “Het Nederlandsche Boek” te worden uitgeschreven.”
I. De prijsvraag moet betrekking hebben op het oorspronkelijke Nederlandsche boek;
II. Zij moet door haar strekking kunnen bijdragen tot het besef, dat het lezen van goede boeken levensinzicht en persoonlijkheid verdiept.'
S.v.p. niet inzenden: de deadline lag op 1 januari 1936. Volgende week hoop ik een antwoord te kunnen vinden op de vraag hoe de opdracht van prijsvraag in 1936 of later geconcretiseerd werd, en door wie.
In ieder geval is dit een geniale prijsvraag. Waarom nog zelf nadenken wáárover een prijsvraag zou moeten gaan, als je zelfs dat denkproces al kan uitbesteden? Driewerf chapeau voor de Nederlandsche Uitgeversbond van 1935!bron
- de Contrabas: Nieuwe bundel Menno Wigman 18 Jan 2012
De titel van de nieuwe bundel van Menno Wigman komt uit de bijbel, Marcus 5: 1-20. De man uit het land der Gadarénen, waarover deze passage handelt, wil met de man die de kwade geest uit hem dreef, met Jezus, meegaan. Die staat dat niet toe: "Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft." In vers 20 heet het: "En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekápolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen."
Mijn naam is legioen reflecteert op deze passage, maar Wigman zou geen hedendaagse dichter zijn als hij het perspectief niet voortdurend verschuift van de bezetene naar de "genezene" en zelfs naar dat van de genezer (Christus). Dit alles om te ontkomen aan de enige die de dichter altijd maar met zich meesleept: zichzelf. Guus Middag schrijft hierover al in zijn NRC-recensie, in een passage die de "ik-lyriek" van Wigman in een breder perspectief plaatst:
"De poëzie van Wigman is altijd ik-lyriek: een gekwelde ziel die zijn klachten en verlangens uitzingt. Maar Wigman probeert zichzelf tegelijk ook zoveel mogelijk tegen het licht te houden, waardoor zijn persoonlijke gedichten vanzelf ook portretten van een generatie, of van de tijdgeest worden." Een tijdgeest die, voeg ik eraan toe, alleen te begrijpen is vanuit "mijn pik".
Waar het "grotere geheel", de tijdgeest, in vroeger dagen werd bekeken vanuit "God", of in de romantiek vanuit "de ziel" en nog weer later door "het (versplinterde) woord", bekijken we de zaken nu vanuit "mijn pik" of vulpen, zoals in het slotgedicht 'De weg van alle boeken':
Ik had vandaag een nieuwe pen gekocht
en zeven keer schreef ik mijn naam.
Toen moest ik huilen. God, wat huilde ik.(...)
Ik wil de hemel en ik wil de straat,
ik wil in zestigduizend hoofden ruisen
en iedereen een tand uitslaanvoor ik de weg van alle boeken ga
en roemloos bij De Slegte sta.Bij zoveel virtuositeit komt dat, vermoed ik, allemaal in orde; ook als de dichter daar zélf niet in gelooft. Kan iemand misschien tegen hem zeggen: "Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun (iets vaker dan eens in de zeven jaar)?"
bron
- de Contrabas: E-boek, nieuwe kansen 17 Jan 2012
Digitale boeken zijn (nog) redelijk duur. In vergelijking met gedrukte boeken. Bittere bloemen van Jeroen Brouwers kost als e-boek 17,75 en in druk 19,95. Villa Pouca van Gerrit Komrij als e-boek 12,95 en in druk 15,90. Dat zijn maar twee voorbeelden, en er zijn ook speciale aanbiedingen, maar het gros van de e-boeken is aan de prijs, iets wat zeker effect zal hebben op de impulsaankoper, die voor 5 euro misschien wél, maar voor meer dan een tientje zeker niet zomaar een digitaal bestand aanschaft.
Op emerce.nl staat een artikel over de Duitse auteur Johnny Haeusler: "'De e-boekmarkt komt niet op gang als er vanuit de prijs geen impuls is. Consumenten willen nu eenmaal eerst het terrein verkennen voordat ze echt de portemonnee trekken'. Haeusler stelt in een interview dat de markt voor mobiele apps op vergelijkbare wijze groeide. Apps waren eerst gratis. Nu betaalt men moeiteloos een euro voor een app."
Volgens mij heeft Haeusler een punt. Een e-boek is minder kostbaar om te maken dan een gedrukt boek én de distributiekosten voor een ebook kunnen door de uitgever in de hand worden gehouden. Kortingspercentages van minstens 40% voor de boekhandel zijn te omzeilen. De maandelijkse rekening van het Centraal Boekhuis valt veel minder hoog uit en de kosten voor opslag zijn nagenoeg nihil.In wezen is een ebook een bestand dat wordt gemaakt door een vormgever, een auteur en een redacteur, waarna de uitgever kan zorgen voor zaken als marketing. Daarover meldt het artikel ook iets interessants:
"Alhoewel de Duitser zijn boek in eigen beheer uitgaf, via het selfpublishingsysteem van Amazon.de, geeft hij ruiterlijk toe een uitgever nodig te hebben. Die moet, bij volgende titels, zaken als techniek, pr en marketing, voor zijn rekening gaan nemen. Voor zijn eerste titel kon Haeusler gebruik maken van zijn bereik op Twitter en met zijn tien jaar oude blog."
Als uitgeefhuizen, auteurs en de tussenhandel het slim spelen, kan er meer worden verdiend én wordt het tot stand komen van een tekst weer het belangrijkste in de hele letterenketen.
bron
- de Contrabas: Nieuw gedicht Peter Wullen 17 Jan 2012
- de Contrabas: John Burnside wint TS Eliot Prize 17 Jan 2012
The Guardian meldt dat John Burnside de TS Eliot Prize heeft gewonnen. Het was een behoorlijk gedoe, dit jaar, met zich terugtrekkende dichters (zie dit eerder bericht) en aanhangende (niet altijd positieve) media-aandacht.
Onze medewerker Kees Klok verzorgde vorig jaar voor uitgeverij Liverse een vertaalde bundel van de prijswinnaar, onder de titel Het bal in de inrichting, een bundel waarover ik op Poëzierapport (tamelijk terecht) lovende woorden sprak.
Een geweldige dichter, die Burnside! Wij feliciteren hem, de uitgever én de vertaler!
bron
- de Contrabas: Haal die Krabbé van stal! 17 Jan 2012
Haal die Krabbé van stal!
't Is weer een sterfgeval
Van een beroemdheid:
Wat laat hij veel na!Dat zal ze leren, die
Machodriesterrenchefs
Kok spelt men voortaan
Met C.O.C.K.© Eelke van Es
bron
- de Contrabas: Awater jubileumnummer (slot) 17 Jan 2012
In de column van Marc van Oostendorp krijgt Onno Blom de wind van voren. Dat is niet helemaal terecht, want Blom zorgt in het interview dat hij had met Gerrit Komrij wél voor hét citaat uit het jubileum- nummer van Awater. Hij vraagt namelijk:
"Even terug naar de kleine wereld van het tijdschrift. Moeten er, vind jij, überhaupt nog bomen worden geveld voor literaire tijdschriften? Is de toekomst niet digitaal - en bewijst een frisse, actuele site als De Contrabas dat niet? (cursivering en bold door mij, CB)"
Een intense waarheid, die Gerrit Komrij als volgt beantwoordt:
"Literaire tijdschriften zijn het aanhangsel van een uitgeverij of van een dichtersclubje. Een factor in een ruimer iets. Ze moeten niet gaan doen of ze nog altijd een belangrijke rol in de literatuurgeschiedenis spelen. Tijdschriften horen alert te zijn, polemisch, ondersteunend, actueel, en daarom zijn ze bij uitstek geschikt voor internet. (Volgt nog iets over Awater, CB)."
Kijk, en daarmee hebben vraagsteller en beantwoorder een mooie omschrijving geleverd. Van De Contrabas.
bron
- de Contrabas: Mailende dichters, Awater (nogmaals) 17 Jan 2012
Gisteren kreeg ik van vier dichters een e-mail. Over mijn berichtgeving over het jubileumnummer van Awater. Teneur: het is niet de bedoeling om op die manier over het blad te berichten, want 1) dan kom je zelf nooit in het blad en 2) het is zuur.
1) is al uitgekomen en over 2) blijf ik me verbazen. Het is altijd zo dat degene die iets aanwijst of signaleert (in dit geval: een stuk van Herman Stevens dat bol staat van de, en ik zal mild zijn, onnauwkeurigheden; Marc van Oostendorp kwam overigens tot ongeveer dezelfde conclusies, vandaag) het predikaat "zuur" krijgt opgespeld. Dat is een automatisme, en ik ben er na jaren webloggen nog niet uit waarom dit automatisme onuitroeibaar is.
Toch wil ik nog één keer iets over het jubileumnummer van Awater zeggen, en wel dit:
Edwin Fagel is hoofdredacteur van Awater en in die functie (eind)verantwoordelijk voor de eindredactionele burn-out die het jubileumnummer is. Hieronder kunt u luisteren naar een interview dat Jeroen van Kan voor VPRO De Avonden had met Fagel, een interview dat is doorspikkeld met merkwaardige opmerkingen.
Zo beweert Fagel dat er geen ander blad "op dezelfde leest is geschoeid": op zijn minst interessant voor de redactie van de Poëziekrant, een al veel langer op precies dezelfde leest geschoeid blad. Voorts gaat Fagel ook in op de jaarlijsten, die hij (opnieuw) tot "lang" en bijna-compleet bestempelt, iets wat inderdaad niet waar is.De opmerking dat het blad voor "alle poëzie" is, laat ik verder buiten beschouwing, al is het natuurlijk allemaal wel een heel erg pierenpotje vol met vriendjes, die elkaar allemaal over hun pierenhuidje aaien. Daar is niks mis mee, maar om jezelf dan meteen tot het, en het enige allround poëzieblad van de Lage Landen uit te roepen, dat gaat dan een beetje ver.
De toekomstige e-mails indachtig, zal ik het hier bij laten. Hoewel ik dit citaat uit de beschouwing van Herman Stevens ook nog graag even had behandeld:
"Poëzie is, helaas, niet meer van deze tijd," schreef de Vlaamse dichteres (sic, CB) en columnist Ann de Craemer onlangs in De Morgen. 'Poëzie lezen vereist geduld en concentratie - twee bedreigde eigenschappen' in deze tijd. Het was een column die enorm veel reacties opriep (intellectuele discussie!) en toch was het een weinig opzienbarende observatie. Het is een cliché dat al honderd jaar meegaat. Voor hetzelfde geld kun je beweren dat poëzie in zijn geconcentreerde vorm bij uitstek geschikt is voor deze snelle tijd. Poëzie en internet lijken een natuurlijke fit. Alleen loopt de praktijk natuurlijk anders. Overal op internet kun je Bloems 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat' (een gedicht dat overigens 'De Dapperstraat' heet, CB) lezen, alsof we dat al niet kunnen dromen. Er hoeft maar één herfstblad te vallen en de zondagsdichtersaderen vloeien, ook op gerenommeerde sites. Dat is de prijs van interactiviteit."
Maar dat kan altijd nog. Al zou ik van Stevens graag willen weten hoe hij dat weet, dat dat cliché "al honderd jaar meegaat".
Het interview met Edwin Fagel:
bron
- de Contrabas: Phil Bosmans overleden 17 Jan 2012
"Phil Bosmans is op 89-jarige leeftijd overleden. Dat meldt uitgeverij Lannoo. De pater, die in een klooster in Kontich verbleef, was vorige week opgenomen in het Sint-Jozefziekenhuis in Mortsel. Bosmans, een pater montfortaan, was auteur en de drijvende kracht achter de oprichting van de Bond Zonder Naam in Vlaanderen." Meer over de nu ontslapen bestseller-auteur op de website van Knack.
bron
- de Contrabas: Marc van Oostendorp over Awater 17 Jan 2012
Marc van Oostendorp schrijft in zijn column op de weblog Neder-L: "Deze maand bestaat het clubblad van de poëzie, Awater, tien jaar. Ik ben al tien jaar lid, maar het moet er maar eens uit. Het jubileumnummer is mat en slecht geschreven, en vertoont tekenen van grote haast. De recensies zijn soms zo vlak dat je er treurig van wordt ('Ingmar Heytze schrijft in een opvallend herkenbare stijl. Toch is zijn poëzie in de loop der jaren ook veranderd'). En het interview met Gerrit Komrij waarmee het blad opent, lijkt in even weinig tijd geschreven als een column in Neder-L. Hebben ze daar bij Awater geen eindredacteur? Of zat die net even op Facebook?"
Van Oostendorp geeft in zijn column overigens een paar fraaie definities: "Een Nederlandse dichter is iemand die Facebook-vrienden is met een andere Nederlandse dichter. Een Nederlandse poëzierecensent is iemand die op Facebook ontvriend is door een Nederlandse dichter. Facebook is een website waar alle dichters van Nederland mekaar uitschelden. Een Nederlandse poëzielezer is iemand die geen idee heeft van Facebook, maar lid is van de door Gerrit Komrij opgerichte Poëzieclub en braaf leest wat die club een paar keer per jaar per post opstuurt."
Ik ben in deze definitie een Nederlandse dichter én een Nederlandse poëzierecensent, en in die laatste hoedanigheid heb ik ook een paar Nederlanders (via ontvriending) tot recensent omgetoverd.
Gisteren schreef ik ook al over Awater, althans, over een artikel dat Herman Stevens bijdroeg aan het blad.
bron
- de Contrabas: Ochtendnieuws: 17.1.2012 17 Jan 2012
"Dat was even schrikken voor cultuurliefhebbers in Utrecht en daarbuiten. het lieve jeugdtheaterhuis Het Lab bleek een artistiek directer te hebben met een jaarsalaris van 214.975 euro. Een loon dat hem gelijk maakte aan de tientallen luchtverkeersleiders, medisch specialisten en omroepmedewerkers die allemaal veel meer verdienen dan de Balkenende-norm (193.000 euro per jaar, inclusief pensioen)." Of toch niet? Het Cultureel Persbureau bericht, met interessante cijferlijsten.
Johnny Depp speelde al eens de rol van Hunter S. Thompson. Op dit filmpje leest hij brieven van de schrijver, aan hem gericht, voor. De website OpenCulture laat weten dat de tekst Not Safe For Work is. Dus leuk voor op het werk.
Het is niet altijd gemakkelijk, nazaat zijn van een beroemde ouder. Lijdende partij in dit geval is Mary De Rachewiltz, dochter van Ezra Pound. Zij strijdt tegen een fascistische beweging, die zich naar haar vader noemt, CasaPound.
Hacken is iets nieuws, al kon Nevil Maskelyne er blijkbaar ook al wat van.
De terugkeer van Het Artistiek Bureau op Tzum. Niet genoeg toe te juichen.
17 dagen is het nieuwe jaar oud, en op De Reactor verscheen tot nu toe één recensie. Waar is het wilde elan gebleven?
Naima El Bezaz speelt met de vraag: hoe komen we van lastige en dure bevolkingsgroepen af? Op de website SpitsNieuws.
bron
- de Contrabas: Jeugd van Tegenwoordig, Prijs, 'T Hart 16 Jan 2012
"Watskeburt: De Jeugd van Tegenwoordig heeft de Popprijs 2011 gewonnen, de meest prestigieuze prijs voor Nederlandse popmuziek, uitgereikt door Buma Cultuur met steun van Sena Performers, twee organisaties die zich bezighouden met muziek(auteurs)rechten." De weblog van Ons Erfdeel doet het hoe en waarom uit de doeken, en vanuit dat bericht kun je tevens doorklikken naar dit artikel uit Ons Erfdeel 2010/2 van Kees 't Hart, 'Wartaal spacet meer dan Achilles'.
bron
- de Contrabas: Huwelijk Andy Fierens voltrokken 16 Jan 2012
Onlangs publiceerden wij deze huwelijksadvertentie van Andy Fierens. Op zijn Facebookpagina meldt Fierens: "Uiteindelijk daagden 25 dames op voor een speeddate. Stuk voor stuk vrouwen buiten categorie maar degene die echt mijn hart stal was Alimah Aoulad. Een volle Arenberg zag hoe de Nachtburgemeester ons huwelijk inzegende en vierde uitbundig met ons mee tot in de vroege uurtjes. Veel dank aan iedereen die deze prachtige dag mogelijk maakte." Meer info over de huwelijksvoltrekking: hier. De bruidegom was gekleed in een creatie van de Schotse mode-ontwerper Gonnelan McDonneldum, zoals de foto van Dean Wouters (linksboven) bewijst.
bron
- de Contrabas: Nieuwe bundel Annemarie Estor 16 Jan 2012
Vandaag verschijnt De oksels van de bok, een lang gedicht van Annemarie Estor. De uitgever(Wereldbibliotheek) meldt: "De oksels van de bok is een eigentijdse mythe in dichtvorm. In een duivels ritme beschrijft het verhaal de liefdesgeschiedenis tussen een sater en een jonge vrouw. Izem - half mens, half dier, half aards, half hemels - bezit bovenaardse charmes waarmee hij haar volledig in zijn macht krijgt." Jess de Gruyter maakte een boektrailer:
bron
- de Contrabas: Herman Stevens & de oude discussie 16 Jan 2012
Of: Waarom ik bijna nooit een nummer van Awater koop
- Door Chrétien Breukers -
In zijn artikel 'Na de gouden jaren, Doet poëzie ertoe?', gepubliceerd in het onlangs verschenen jubileumnummer van Awater, gooit Herman Stevens een paar zaken uit de poëziegeschiedenis in de blender, duwt een paar minuten op de knop en serveert vervolgens een gladgestreken papje, waarin desalniettemin een paar vreemde, tamelijk grote klonten drijven. Die klonten wil ik graag even met u behandelen.
In zijn artikel, dat op vele gedachten hinkt, schetst Stevens eerst een beeld van de literaire wereld in de jaren tachtig, toen hij als beginnend schrijver samen met een collega-beginnend-dichter X (C.L. van Minnen) aan de grote mars richting de top van de Parnassus begon. Stevens was prozaïst, Van Minnen dichter (en later, veel later, nam ik werk van hem op in mijn Vette Breukers, maar dit terzijde). Dan schrijft hij:
"De Maximalen brachten een jonge-honderigheid terug in de poëzie, met als hoogtepunt, of dieptepunt, de avond waarop een teiltje oude vis over Michaël Zeeman werd gekiept, omdat hij zo'n negatief mannetje was. Dat was niet aardig, maar het was wel voor het eerst in tientallen jaren dat er iets gebeurde op een poëzieavond."
Volgens mij is dat vis-incident van 1987 of 1988. Dat was 21 of of 22 jaar na Poëzie in Carré, een festival dat een forse duw gaf aan de (podium)carrière van Jules Deelder en Johnny van Doorn (toen nog: Johnny the Selfkicker). Dat was 12 of 13 jaar na de Nacht van de Poëzie in Kortrijk, waar Gerard Reve ophef & rumoer veroorzaakte. Dat was nog maar een jaar of 6 à 8 na de opkomst van dichters als Diana Ozon, Bart Chabot en Ton Lebbink, die de poëzie naar jeugdhonk en kraakpand brachten. De lijst is verre van compleet.Dat er al "tientallen jaren" niets was gebeurd op een poëzieavond lijkt mij dus op zijn minst een geval van cocktailblindheid. Stevens ziet alleen de gebeurtenissen uit die goede oude tijd, toen hij zelf begon te schrijven, en raakt het zicht op "de" geschiedenis een beetje kwijt. Dat hij daarbij een "incident" rond Michaël Zeeman centraal stelt, is wel tekenend voor de harde jaren tachtig, waarin het respecteren van iemands lichamelijke integriteit (als ik ook eens een woordje jargon mag spreken) geen prioriteit had.
In een interview dat Sander de Vaan had met Joost Zwagerman (na te lezen op de website van Meander) kijkt de huidige plaatsvervanger van Pierre Janssen terug:
"Even over dat vis-incident. Dat was natuurlijk beschamend. Twee of drie maximale dichters moesten optreden in Delft. Daar zou ook Zeeman optreden, die toen inderdaad net een niet misse recensie over de bloemlezing Maximaal! had gepubliceerd. Ik dacht dat het Arthur Lava was die toen op het idee kwam om bij wijze van ludieke Dada-actie een teiltje vis over Zeeman heen te kieperen. Leuk om te verzinnen, maar heel vervelend als het je overkomt. Dat vond ik toen al, en ik vind dat nog steeds. Ik wist er ook helemaal niets van, van dat idee van die vis. Maar kennelijk had Michaël Zeeman redenen om aan te nemen dat ik de kwade genius was achter die vissmijt-actie, wat niet het geval was."
Tsja. Leuk om te verzinnen, maar heel vervelend als het je overkomt. Precies wat u zegt.
Stevens vaart voort: "De meeste Maximalen zijn inmiddels de vijftig gepasseerd, maar de poëziescene draagt nog steeds het stempel van die jaren. Een dichter moet street credibility hebben, en in de jaren rond de eeuwwisseling leek het er zelfs op dat dichters bankability hadden. Met de VSB-poëzieprijs en de verkiezing van de Dichter des Vaderlands kwam er een wedstrijdelement dat geregeld voor nieuwsmomenten zorgde."
Jammer genoeg verwart Stevens hier, in één alinea, street credibility, bankability en nieuwsmomenten... De meest recente winnaar van de P.C. Hooft-prijs, de generatiegenoot van veel Maximalen Tonnus Oosterhoff, bewijst in elk geval dat het niet bepaald op street credibilityaankomt, bij het winnen van prijzen en het aandacht trekken van een groter publiek (dan de gemiddelde 500-2000 lezers van een poëziebundel).
Eén VSB-prijs (van 25.000 euro, nog niet eens een modaal jaarinkomen) en één verkiezing maken echter nog geen hele beroepsgroep vet. Stevens lijkt zich hier te verkijken op de manier waarop de gemiddelde dichter zijn kostje bij elkaar moet scharrelen. Dat gaat niet met grote bedragen tegelijk. Toch schrijft hij:
"Belangrijk was dat er zoveel poëziefestivals en manifestaties waren (...) dat X gerust had kunnen doorgaan in de poëzie en dan had hij nog steeds meer verdiend dan een romanschrijver als ik. Ik verkocht dan wel meer boeken dan de meeste van mijn dichtende vrienden, maar sommigen van hen stapten wel twee keer per week op de trein om een stuk of wat gedichten voor te lezen. Alleen de best verkopende prozaschrijvers hadden zo'n drukke agenda."
Dat gaat op, maar wel voor een kleine bovenlaag van dichters. Dichters die het overal goed doen, en die organisaties er graag "bij" hebben. De meeste dichters moeten zich behelpen met een enkel optreden, zo nu en dan, maximaal tegen "standaardtarief" van de SSS, een bedrag van plusminus 260 euro. Het lijkt heel wat, maar als je de voorbereiding, de reis heen en de reis weer meetelt, wordt het uurtarief een stuk lager dan dat van de gemiddelde klusjesman.
In deze passage ziet Stevens overigens nog een ander, tamelijk wezenlijk aspect van de manier waarop de Nederlandse literatuur is georganiseerd over het hoofd. Een auteur kan namelijk behalve door optredens, ook geld verwerven via het aanvragen van werkbeurzen van het Letterenfonds. In 2010 kreeg Stevens zo'n werkbeurs (het bedrag is me onbekend) en in 2007 ontving hij 40.000 euro voor een te schrijven roman. Deel die 40.000 euro eens door 260 en dan zie je dat Stevens het, ondanks alle klachten, nog niet eens zo slecht heeft met een werkbeurs die hoger ligt dan de VSB-poëzieprijs.
Dan neemt het artikel een wending richting de cri de coeur die Bas Belleman in 2005 in Passionate publiceerde, en die hier nog is na te lezen. Stevens verzucht dat de roep om "relevantie" die Belleman de wereld in zond hem verbaast: "Raakt de dichtkunst in de mode, is het weer niet goed. Dat ze zich niet in het brandpunt van (de intellectuele discussie, CB; de eindredactie van Awater is om te huilen) bevond, was eerder iets om blij mee te zijn. Want door de bank genomen is die intellectuele discussie een mallemolen van misverstanden."
Dit aspect laat ik verder liggen, want anders blijven we bezig. Ik neig ernaar het in dit geval met Stevens eens te zijn, al is het maar de vraag of de warboel die Bellemans "essay" óók is nu, bijna zeven jaar later, nog boven water moet worden gehaald. De weg naar een "mallemolen van misverstanden" kun je ook plaveien met citaten uit artikelen waarin iemand de klok hoort luiden, maar de klepel kwijt is, of iets dergelijks.
Ik spring door naar een opmerking die Stevens maakt na zijn verzuchting dat de "gouden jaren" voorbij zijn. "Ook uitgeverijen worden voorzichtiger. In 2011 verschenen minstens tien titels die mogen gelden als poëziedebuut, al telt Allard Schröders debuut als dichter daarbij ook mee. Maar in datzelfde jaar waren er steeds meer verhalen te beluisteren van dichters van een zekere leeftijd wier manuscripten op de plank bleven liggen zonder enig uitzicht op een verschijningsdatum."
Beginnend onderzoek van Bart FM Droog en mijzelf wijst op een heel ander getal. Dat betekent dat de redactie van Awater zich helaas beroept op cijfers die niet kloppen. Jammer, want een precies beeld van het aantal bundels dat verschijnt wordt zo, zelfs door de in het leven roepers van een "vakprijs", niet gegeven. Alweer is er een "mallemolen van misverstanden" aan het werk, - ook over die "dichters van een zekere leeftijd" overigens. Maar dat is voer voor een ander artikel, net als de opmerkingen die Stevens plaatst bij de discussie die Ann de Craemer losmaakte.
Tegen het eind van zijn artikel begint Herman Stevens over Jeroen Mettes. Ach ja, Jeroen Mettes! De Lodeizen, Van de Kerckhove, Perk, Rodenbach en T'Hooft van de jongste generatie. Maar laat ik Stevens citeren:
"Verleden jaar verscheen het nagelaten werk van poëziecriticus en poète maudit Jeroen Mettes in gedrukte vorm, een tweedelige uitgave die laat zien dat het boekenvak nog niet alle hoop heeft laten varen. Alom klonk de verzuchting dat het zoveel beter zou zijn voor de dichtkunst als er meer critici waren zoals Mettes. En dan neem ik aan dat het niet ging over diens gimmick om van elke dichtbundel alleen het eerste gedicht te pakken."
Alom klonk? Waar dan? In een heel kleine kring, getrokken rond zeg drie of vier mensen die hun hoedje diep afnamen voor Mettes. Dat is iets anders dan "alom". Alom klonk er vooral helemaal niets over Mettes, wat niet zo verwonderlijk is: zijn proza is een kruising tussen de zangkunst van Bianca Castafiore en een zingende zaag en alleen geschikt voor "enkle fijne luiden", en dat zijn niet eens fijne luiden. Dat zijn mensen die er niet voor terugschrikken om Mettes met terugwerkende kracht tot hun intellectuele vuurtoren uit te roepen. Zelf kan de arme jongen zich niet meer verdedigen.
Door, we moeten door! "Anders dan de poëziecritici in dag- en weekbladen, ging Mettes in op de ideeënwereld van het gedicht. Dat was nieuw. Al tientallen jaren zien alle poëzierecensies in de reguliere pers er eender uit. Een lappendeken van citaten met een voice-over van de recensent, die het kennelijk niet aandurft om zijn eigen verhaal over de bundel in kwestie te vertellen. Dichters roepen al jaren om een poëziekritiek die meer is dan een APK-rapport, en het vreemde is, al die recensenten zijn zelf ook dichter. Toch verandert er niets."
Daar hebben we de "tientallen jaren" weer. Ik wil het best eens zijn met Stevens stelling dat de poëziekritiek in "de reguliere pers" naatje is, maar toch, maar toch... Ik herinner me van net voor en tijdens Maximaal! de kritieken van Wiel Kusters in de Volkskrant. Een groot Kusters-fan ben ik niet, maar zijn recensies waren wel degelijk vakwerk. Met een "eigen verhaal". Kees Fens schreef regelmatig over poëzie, zeker in de jaren tachtig nog.
De dichter H.H. ter Balkt was korte tijd poëzierecensent in Het Parool, en zijn stukken waren zeker niet doorsnee, of APK-gerelateerd. Zo kan ik nog wel even doorgaan, tot en met (zelfs) Ilja Leonard Pfeijffer, Philip Hoorne en ja, zelfs Peter de Boer. Volgens mij haalt Stevens hier twee dingen door elkaar: het gegeven dat de gemiddelde krant geen interessante poëzierecensent durft aan te stellen: voor je het weet worden die stukken driftig gelezen en kom je niet meer van deze passant af.
De "reguliere media" hebben de poëzierecensie nagenoeg geschrapt. Dat is wat er mis is met de relatie tussen "de" poëzie en "de" media. De situatie is verrassend eenvoudig op te lossen. Stel eens een eh... tsja, leuke, of interessant schrijvende chroniquer aan, en geef hem minimaal eens om de twee weken een redelijk podium om zijn zegje te doen. De lezers volgen, bijna zou ik zeggen: de lezers volgen vanzelf. Daar heb je geen Jeroen Mettes bij nodig.
Stevens eindigt zijn artikel zo: "Mettes liet al zien dat het internet de ideale plek is om poëzie op eigenzinnige wijze te bespreken. Dat zou een mooie toekomst zijn. De nieuwe poëzie blijft een papieren domein. Maar de nieuwe kritiek verhuist naar het net."
Of de nieuwe poëzie inderdaad een papieren domein blijft, is nog maar te bezien. Ik denk het ook, maar ik durf de toekomst van de papieren bundel niet te voorspellen. Een bundel vertegenwoordigt een zeer klein segment in de hele "retail", maar als eindproduct van een afgelegde dichterlijke weg is hij (voorlopig) inderdaad onvervangbaar.
Misschien komt er binnenkort meer ruimte voor e-bundels en andere web-gerelateerde initiatieven, maar dat vereist een nieuwe houding van het hele weefwerk van uitgevers, kopers én fondsen (die sommige dichters ondersteunen).
Dat de "nieuwe kritiek" naar het web verhuist, is voorlopig een gotspe. Alléén Poëzierapport, een initiatief dat vakkundig de nek om wordt gedraaid door het Vlaams Fonds voor de Letteren, volgt consuequent de Nederlandstalige poëzie, voor de rest zijn poëzierecensies op het web onderdeel van een digitaal weefwerk van mensen die hun literaire macht hebben getransporteerd naar een digitale omgeving, in de hoop op, ja, op wat?
Samenvattend: Herman Stevens probeert een overzicht te geven van hoe "de" poëzie er voorstaat. Hij doet dit met te weinig kennis van zaken en hij gooit te veel zaken op een hoop, of mixt ze samen in één blender. Dat is jammer. Nog jammerder is het, dat dit artikel verschijnt in een blad dat zich op poëzie zegt te richten: de redactie die het heeft opgenomen is blijkbaar niet in staat om de zwakke plekken in het stuk te signaleren.
bron
- de Contrabas: Slavernij in Nederland en Duitsland anno 2012 15 Jan 2012
Nederlanders willen niet werken voor het minimumloon en Polen wel? Onzin - Polen werken meer en meer als slavenarbeiders. En de politiek dwingt ook Nederlandse werknemers de slavernij in.
De wekelijkse column van Bart FM Droog
Op 1 februari 2012 ga ik aan de slag als zelfstandig ondernemer. Tot die tijd moet ik verplicht solliciteren. Daartoe stuurt het UWV me wekelijks de Vacaturekrant Eemsdelta toe. Afgelopen vrijdag stond daarin dit:
------------------------------
Bewaker bouwplaatsen. Duitsland. M/V
Het bewaken van bouwplaatsen. In het begin werkt u op locaties in Duitsland. Het werk begint als de bouwvakkers op de locaties stoppen met werken en het eindigt als de zij weer op de bouwlocatie beginnen. Dus u werkt vooral in de avonden, nachten, in de weekenden op feestdagen en bij slecht weer.
Toelichting dienstverband: U werkt 10-15 dagen onafgebroken 12 tot 14 uur per dag om daarna een paar dagen vrij te zijn en dan weer 10 dagen achterelkaar te werken. U werkt zo'n 250 uur per maand! De werklocatie is in Duitsland.
Gevraagd wordt: MBO-algemeen Overige eisen: U kiest bewust voor dit werk. U hoeft geen ervaren en/of gediplomeerd beveiliger te zijn (wel een voordeel), maar u moet wel affiniteit
met het beveiligervak hebben. U bent zelfstandig, uiterst betrouwbaar, goed verzorgd en oplossingsgericht. Daarnaast straalt u een natuurlijk overwicht uit.
U moet beschikken over redelijke mondelinge en redelijke schriftelijke taalvaardigheid in het Duits.
Rijbewijs: BE (eis)
------------------------------
Van de vacatures die ik de afgelopen maanden via de overheid/semi-overheid kreeg doorgestuurd was dit wel de absurdste. Ik vraag me af of het überhaupt mag, van mensen verlangen om extreem lange tijd (tien dagen aaneen) dit soort idioot lange dagen (twaalf tot veertien uur) te draaien. Er bestaat toch zoiets als Europese regelgeving? Of... universele mensenrechten?
Maar goed, blijkbaar vindt de overheid het geen enkel probleem dat werkgevers deze krankzinnnige eisen stellen. Net zo als de overheid het tolereert dat Poolse werknemers hier via louche uitzendbureaus in fabrieken en in de tuinbouw ver onder het minimumloon werken. Sterker nog: deze uitbuiting wordt door politici - van links tot rechts - aangemoedigd en misbruikt om de uitkeringen en de rechten van werknemers verder te verminderen.
Twee jaar geleden verruilde ik het bestaan van industrieel banketbakker voor het tijdelijk bestaan als arbeider in de visverwerkende industrie. Die bakkerijfabriek ging anderhalf jaar geleden 'failliet'. Het oude - zowel het vaste als het tijdelijke - personeel werd grotendeels ontslagen. Vervolgens werd het overgenomen door een ander bedrijf. Dat ervoor koos Polen in te huren.
Nu weet ik dat veel van de originele 'tijdelijke' werknemers er voor het minumumloon werkten. Dus hoe kan het bestaan dat Poolse arbeiders die in een Nederlandse fabriek werken goedkoper zijn dan Nederlandse? Dat kan alleen maar als zij onder het minimumloon werken. De overheid en de politiek weten dat. Maar ingrijpen? Nee hoor.
Dan: de garnalenfabriek waar ik vervolgens twee jaar werkte. En waar ik leerde dat veel van m'n collega's er al jarenlang op kortstondige contracten werkzaam waren. Eerst als simpele wegzendkracht, dan middels drie tijdelijke contracten. Vervolgens de WW in en na een half jaar begon het weer van voor af aan. Zoiets noem ik: misbruik van de wetgeving. De overheid en politiek weten dat werkgevers dit op grote schaal doen. Maar ingrijpen? Ho maar.
Nee, liever zeggen ze dat de Nederlandse arbeiders en uitkeringsgerechtigden lui en passief zijn. Het droevig lot van de Poolse slavenarbeiders alhier misbruiken ze om lonen en uitkeringen zo niet te bevriezen dan wel te verlagen. En ondertussen kakelt men door over irrelevante zaken als literaire gebakken luchtprijzen en PVV-malloten. Veel gekker moet het niet worden.
Zie ook Polenforum.nl - hét grootste en best bezochte forum door en over Polen in Nederlandbron
- de Contrabas: Literaire tijdschriften: de toekomst 15 Jan 2012
Op vrijdag 13 januari werd bekend dat literair tijdschrijft De Gids, een blad gerund door redacteuren die niet terugschrikken voor laster en intimidatie, "verder" gaat als bijlage van De Groene. "De Gids, nu een uitgave van De Arbeiderspers, blijft een onafhankelijk tijdschrift en zal acht keer per jaar (de huidige frequentie), zonder extra kosten voor de abonnee, als aparte bijlage bij De Groene verschijnen. Daarnaast blijft De Gids los te koop en blijft apart abonneren op dit blad mogelijk."
Wij hopen voor De Gids het beste, maar herinneren ons ook nog het blad Literatuur, waarvoor eenzelfde reddingsoperatie was bedacht (in een andere markt, uiteraard, en voordat bekend werd dat de tijdschriftsubsidies zouden stoppen).
Gisteren gaf de redactie van Kort Verhaal aan "gecharmeerd" te zijn van deze constructie. "Dat een overname door een opinieblad tot de mogelijkheden behoort, stemt (Peter) Verstegen hoopvol. 'Dat lijkt mij een interessante optie. Wij gaan zeker contact leggen met Vrij Nederland ofHP/De Tijd.'"
Het is allemaal treurig, zeker omdat de bezuinigingen niet meer zijn dan wat rancuneus gebrabbel van een groepje ressentimentspolitici, zoals Dirk-Jan van Baar omschrijft op de website De Dagelijkse Standaard.
"Voor mij staat vast dat een tijdschrift als De Gids dat al sinds 1837 bestaat alleen al door zijn lange levensduur zijn bestaansrecht heeft bewezen. Hemeltje lief, daar mag best twee ton rijkssubsidie aan worden besteed en wie dat verspilling noemt, moet nodig in de pampers terug om opnieuw te worden opgevoed, zelf te leren lezen en vooral: niet mee te huilen met de wolven in het bos. Mag er door rechts Nederland alstublieft nog een beetje worden nagedacht, of is dat te duur?"
Voor een "rechtse" journalist een behoorlijk genuanceerd stukje proza. Er is hoop! Maar niet voor De Gids, vrees ik.
bron
- de Contrabas: Heerma van Voss, Dautzenberg, Nieuwe Braafheid 14 Jan 2012
Vandaag verscheen het boek Zonder tijd te verliezen van Daan Heerma van Voss. De inaugurale speech werd gehouden in boekhandel Athenaeum gehouden door A.H.J. Dautzenberg. Tekst:
Er waart een spook door de Nederlandse letteren. Een tandeloos fantoom met een sterke voorkeur voor decorum, voor Hoe Het Hoort.
Een fantoom ook met grote eerbied voor de lijntjes – en dan vooral voor de binnenkant ervan. En wat mij nog veel meer zorgen baart: het besmettingsgevaar is groot. Een zwakke geest die ermee in aanraking komt, gaat ook spontaan met confetti strooien, liederen stamelen of, nog veel erger, kokkerellen.
De Nieuwe Braafheid, ik geef het spook voor het gemak een naam, zweeft overigens door de hele culturele sector. Was de popmuziek ooit een poel des verderfs – sex, drugs en rock ’n roll in de meest letterlijke betekenis van het woord – tegenwoordig vinden we Nick en Simon vette shit. Volendam rules!
En laten we Spinvis niet vergeten; zijn liedjes over de fraai tikkende centrale verwarming in een modaal rijtjeshuis in een blanke Nieuwegeinse vinexwijk zijn ronduit dope.Zorgwekkend…
Wie nog het meest in de buurt komt van de brute rocker die overal schijt aan heeft, hotelkamers verbouwt en tien wijven per dag neukt, is Tim Knol. Respect!
In de filmwereld is het al niet anders. Gezellig met sneeuwballen naar elkaar gooien op de Noordpool. Nieuwe kinderen die zomaar kut durven te zeggen. Bekakte melkmeisjes die samen gaan shoppen en voortdurend struikelen over elkaars hoge hakken. Hi-la-risch. Maar nergens, nergens, NERGENS een film die durft te schuren, die het publiek bij de ballen grijpt en daar gemeen in blijft knijpen…
Het publiek wil vermaak, dus het publiek krijgt vermaak. De Nieuwe Braafheid, we zitten er mooi mee te kijken.
Neem de nieuwe generatie columnisten. Stuk voor stuk vertellen ze ons Hoe Het Moet. Het moraliserende aroma stroomt je tegemoet zodra je het o zo frisse NRC Next opendoet. De lekker gekke portretfoto’s van de columnisten proberen nog een zweem van anarchie op te roepen, maar helaas, na de eerste zin weet je al hoe laat het is: we krijgen weer een stukje Duiding.
Een lofzang op de sereniteit van de deugd. Uiteraard heb ik deze in mijn ogen levensgevaarlijke stroming proberen te verklaren. Vast en zeker is De Nieuwe Braafheid een reactie op de politieke en economische onrust – een onrust die in mijn ogen volledig op fictie berust. Een tot op het bot verwende samenleving heeft om de zoveel tijd zin in een verzetje. Zoiets.
De Nieuwe Braven nemen de ‘onrust’ echter uitermate serieus. Met knikkende knieën buigen ze voor de Majestueuze Tijdgeest. Door het braafste jongetje van de klas te spelen hopen ze dat deze ze welgezind is, misschien zelfs beloont voor hun vlijt.
Daarom steken ze ook graag hun kop in het zand wanneer er weer eens een minderheidsgroepering wordt weggezet als ‘ongedierte dat vernietigd moet worden’. Zo langzamerhand worden ze zelf een plaag, de met hippe kapsels en gezonde Hollandse konen getooide fatsoensrakkers.
Dan Daan. Een schrijver die oorlogen durft te verklaren. Toen Daan mij vroeg om een quote af te geven voor op de achterflap van zijn boek kwam ik na lezing van zijn manuscript uit bij de volgende omschrijvingen:
- Een roman in technicolor, met een soundtrack van Nino Rota
- Daan Heerma van Voss schrijft met het oog van de grote Italiaanse cineasten
- Herinnert u zich de verleidelijke blik van Marcello in La Dolce Vita?
Deze koos Daan allemaal NIET. Hij had om begrijpelijke redenen een voorkeur voor: ‘De barokke beeldenpracht van de grote Italiaanse cineasten in duel met de oer-Hollandse vriendenromantiek van Nescio.’
De grote Italiaanse cineasten. Ze zijn nooit ver weg in Zonder Tijd Te Verliezen. Visconti’s inktzwarte romantiek, Antonioni’s geraffineerde gebruik van kleur, Fellini’s surrealisme en Pasolini’s provocerende geest.
Daan Heerma van Voss laat ze – expliciet, dan weer impliciet – duelleren met onze Hollandse nuchterheid, met onze uitgebeende koopmanskijk op vriendschap. Dat levert spannende literatuur op, vooral stilistisch gezien.
Ik ken geen enkele jonge Nederlandse auteur die zo’n begaafde pen heeft – al komt James Worthy gevaarlijk dicht in de buurt... En zo kom ik weer uit bij De Nieuwe Braven. De schrijvende herbivoren die zorgvuldig de bekende themaatjes blijven herkauwen. Bang dat er een scherp steentje in hun tere spijsverteringskanaal terechtkomt.
Daan, die o zo lieve jongens en meisjes zullen proberen om je in te lijven bij hun stille tocht om de al dan niet spreekwoordelijke kerk. Ze zullen werkelijk ALLES uit de kast halen om je in te lijven, één van hen te maken.
‘Zo’n mooie jongen, zo’n begaafde stilist, die MOETEN we hebben.’
Daan, ik waarschuw je, uit naam van de literatuur: Trap Er Niet In! Je zult zien, ze sturen binnenkort iemand op je af met verinkte onderarmen, om te laten zien dat ze Kinderen Van De Wereld zijn. Maar laat je niet in de luren leggen door die ook op het voetbalveld razend populaire sleeves.
Die jongen met dat stoere uiterlijk, die zit gewoon tijdens kantooruren in de BIBLIOTHEEK brave boekjes te schrijven zodat zijn kindertjes ongestoord haphap kunnen doen. Trap Er Niet In! Laat je inspireren door de door jou bewonderde grote Italiaanse cineasten.
Zij beantwoordden de waardering voor hun werk niet met een knieval. Zeker niet, hun films werden alleen maar meer enigmatisch en anarchistisch.
Mijn advies: zoek als schrijver de weerstand op! DAAR gebeurt het. Buiten de lijntjes. Verbijster je publiek, irriteer het, laat het walgen!
Pasolini ging zo ver dat hij nog voor de première van Saló werd vermoord. Zorg dat ook jij straks in een groezelige steeg wordt gevonden, versierd met tientallen messteken. Een corpulent Marlon Brando-lijf, dik van verachting, zwemmend in het bloed. Dan heb je het pas écht goed gedaan en neemt God je op in zijn Eeuwige Licht.
© A.H.J. Dautzenberg
bron
- de Contrabas: Nieuw gedicht Menno van der Beek 13 Jan 2012
- de Contrabas: Jan Cremer (en ik) 13 Jan 2012
Jan heeft je
Vriendschapverzoek
Geaccepteerd.Laat een bericht achter
Op het prikbord van
Jan.Jan vindt
Clearence Clearwater
RevivalEn tien andere
Pagina’s
leuk.© John Schoorl
bron
- de Contrabas: Ger Lataster (en Frans Budé) 13 Jan 2012
Gisteren was de documentaire Niet zonder jou (uit 2010) te zien op Nederland 2. Informatie over het progamma vindt u hier. De film schetst het late (samen)leven van Hermine van Hall en Ger Lataster en is gemaakt door schoondochter en zoon Petra Lataster-Czisch en Peter Lataster. Fragmenten uit de film zijn te zien op het Vimeo-kanaal van Peter Lataster. HollandDoc verschaft informatie over de makers en op Uitzendinggemist is de documentaire nog enige dagen te zien.
In de Maastrichtse galerie Post en García is tussen 11 december 2011 en 4 maart 2012 een tentoonstelling van het werk van Ger Lataster, onder de titel Een ode aan het leven zelf. De galerie gaf onder dezelfde titel een boek uit, met een inleiding van museumdirecteur Rick Vercauteren, een aantal nieuwe gedichten van Frans Budé, geïnspireerd op doeken van Lataster, portretten van Hugo Thomassen en ruim veertig afbeeldingen van merendeels nieuwe schilderijen van Lataster. Hieronder het schilderij In de tuin (klik op de afbeelding voor grotere weergave), geflankeerd door het gedicht van Budé.
Dat ik steeds weer word verleid het veld
van kleuren in te gaan, op mijn tocht het verliesdraag, en altijd weer terugkeer met schaduw
die in zichzelf verdwijnt. En ik het ontbrekende ophaaluit het duister, het verdriet in mij dat almaar niet
vervaagt, elke dag door mij heen valt, ongrijpbaarblijft. Meer wil ik weten van de zomer die nooit
verjaart, jij die uit jezelf naar voren treedt.Of ben jij niet die ik mij telkens denk en droom,
in de tuin zich zichtbaar maakt alleen aan mij?Geen twijfel mogelijk, jij bent het, mijn lief,
tussen licht en schaduw in, zo is het goed.© Frans Budé
Schilderij: 'In de tuin', olieverf op doek, 110 X 180 cm, 2011
bron
- de Contrabas: Uw lengte in boeken 13 Jan 2012
"'Er kwam een verwarde vrouw de winkel binnen en die had een verrassende vraag. Ze vroeg ons om een toren boeken samen te stellen van 1,84 meter hoog met alleen maar klassiekers uit de wereldliteratuur', zegt Steven Van Ammel van Passa Porta." Meldt De Redactie.
bron
- de Contrabas: Dean Atta: de iPhone Dichter 12 Jan 2012
De Facebook-pagina van The Guardian meldt: "Until last week, Dean Atta was relatively unknown; unless you were deeply immersed in the world of spoken word you probably wouldn't have heard of him. Then, in the wake of the conviction of Gary Dobson and David Norris for the murder of Stephen Lawrence, he wrote his poem I Am Nobody's Nigger, and took the internet by storm. In five days, his poem had received in excess of 15,000 hits and gained him an extra 1,000 followers on Twitter. The poem was, he says, a reaction to "the injustice of the death of Stephen Lawrence", and to the loose usage of the N-word. "Watching Panorama, where they reconstructed his murder, and hearing that the N-word was the last thing they said when they stabbed him really struck a chord with me."
bron
- de Contrabas: Oproep aan dichters met in 2010 verschenen bundels 12 Jan 2012
Vanwege de aanmaak van het jaaroverzicht van de dichtbundelproductie 2010 verzoeken we dichters die in 2010 een oorspronkelijk Nederlandstalige bundel hebben uitgebracht bij uitgeverijen:
Afûk (Leeuwarden), De Arbeiderspers (Amsterdam), Aspekt (Soesterberg) , Atlas (Amsterdam), Augustus (Amsterdam), Azul Press (Maastricht/Amsterdam), De Bezige Bij (Amsterdam), De Brouwerij (Maassluis), Contact (Amsterdam), De Contrabas (Utrecht), Cossee (Amsterdam), Douane (Rotterdam), Van Gennep (Amsterdam), De Harmonie (Amsterdam), Holland (Haarlem), IJzer (Utrecht), Van Kemenade (Breda), De kleine Uil (Groningen), In de Knipscheer (Haarlem), Kok (Kampen/Utrecht), Kontrast (Oosterbeek), Liverse (Dordrecht), Manteau (Antwerpen), Meulenhoff (Amsterdam), Mistral (Amsterdam), Nieuw Amsterdam (Amsterdam), Nijgh & Van Ditmar (Amsterdam), Van Oorschot (Amsterdam), P (Leuven), Papieren Tijger (Breda), Passage (Groningen), Podium (Amsterdam), Poëziecentrum (Gent), Prometheus (Amsterdam), Querido (Amsterdam), Thomas Rap (Amsterdam), Veen (Amsterdam), Voetnoot (Antwerpen), Weideblik (Nijmegen), Wereldbibliotheek (Amsterdam) of De Witte Uitgeverij (Leiden)
ons een gedicht uit die bundel te doen toekomen, ter publicatie op de betreffende bundelpagina.
We zijn van plan om van alle oorspronkelijk Nederlandstalige solobundels (en bloemlezingen uit het werk van één dichter) uit 2010 een aparte pagina te maken als onderdeel van het jaaroverzicht 2010. Gelijk we dat eerder deden, in 2005, 2006 en 2007 - maar dan zonder wedstrijdelement.
De gedichten kunnen in een Word of ODT-bestand gemaild worden naar decontrabasXhotmail.com (vervang X door @), onder vermelding van 'Jaaroverzicht 2010'. Daarnaast wordt toezending van een reclametaalloze biografie van maximaal 250 woorden zeer geapprecieerd. Vermeld daarin in ieder geval uw juiste geboorteplaats en -datum (dd-mm-jjjj).
Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door het Nederlands Letterenfonds.bron
- de Contrabas: Een makelaar in Pruisen 12 Jan 2012
Over Joep Leerssens boek Spiegelpaleis Europa, over Ariadne en Daedalus, over Antoine de Saint-Exupéry en over Iwan Rebroff die Hans-Rolf Rippert heette, en over het oude Pruisen, maar over nog veel veel meer, op het Weblog over Kijken van Nicole Montagne.
"De duisternis viel al om vier uur in, snel en onontkoombaar. Toch wilden we nog iets van het provinciestadje zien. Er was een winkelstraat die uitkwam op een donker marktplein. Het stadhuis op het plein bleek uitgelicht. De paar restaurants zagen er gesloten uit. Enkele hoge kerstbomen waren omgewaaid en lagen verdwaasd naast hun stenen potten. Het plaatsje oogde, voor zover we het konden zien, vriendelijk. We wandelden door de winkelstraat en passeerden een drogisterij (Rossmann) en enkele bakkers. In de boekhandel bleek de streek over een eigen, inmiddels overleden schrijver te beschikken, hij heette Ehm Welk. Zijn bekendste boek had als titel Die Helden von Kummerow. Zijn werk stond in een aparte kast. En nu we er toch waren, liepen we maar meteen even bij de winkel van Vodafone naar binnen. We wilden namelijk weten of het nabijgelegen buurtschap waarin 'ons' schooltje stond op de een of andere wijze was aangesloten op het internet (op dat moment probeerden we ons te oriënteren als Daedelus want allemaal leuk en wel, we wilden ook enig overzicht en een razendsnelle virtuele communicatie)."
bron
- de Contrabas: Verboden namen 12 Jan 2012
Wigwam of Tomahawk
Vredespijp, Oorlogsbijl
Of Witte Veder of
Huilt-Naar-De-MaanVuurhand of Klapband of
Over-Het-Paard-Getild
Mag als Puur Toeval
Niet levend bestaan© Eelke van Es
bron
- de Contrabas: Selexyz: een keten in nood? Vervolg 12 Jan 2012
Onlangs kwam Selexyz weer eens niet heel brisant in het nieuws. We berichtten er hier over. Er verschenen enige columns waarin werd gereageerd op deze materie. Bert Wagendorp schreef bijvoorbeeld in de Volkskrant: "Het boek zal overleven in de kleine overvolle winkel, verwarmd door brandende liefde en passie. Met een boekhandelaar die de klant maar even hoeft aan te kijken om te weten welk boek hij hem in handen moet drukken."
Tsja. Ik heb zelf in dat soort winkels gewerkt, en probeer ze tegenwoordig (hoe sympathiek ze ook zijn) te mijden. Andermans brandende liefde en passie zijn een schone zaak, doch bij voorkeur op afstand en met een zekere, de beleefdheid in acht nemende distantie.
Joost Nijsen van Uitgeverij Podium reageert op zijn bedrijfswebsite op die column: "Wagendorp wijst op de VS waar blijkt dat de verkoop via Amazon inzakt in plaatsen waar goede boekwinkels worden geopend. Als je dan óók nog eens leest dat machtige Chinese auteurs hun hoofd niet in de schoot leggen en Apple aanklagen omdat ze via iBook Store illegale kopieën van hun boeken verkopen, dan zeg ik: wie denkt dat de toekomst van het lezen in handen is van Amazone en Apple, en dat gewone boeken in gewone boekwinkels hun beste tijd gehad hebben, die onderschat wat Wagendorp zo mooi noemt 'de onvermoede vitaliteit' van het boek."
bron
